|
RELATIES EN GEDRAG, naar overzicht
flora en fauna
Maak uw keuze
§ 1 INLEIDING
Leven, groei en ontwikkeling van een organisme zijn afhankelijk van een
aantal factoren, waaronder milieufactoren.
De milieufactoren kunnen we verdelen in abiotische factoren
(niet-levende factoren) en biotische factoren (levende factoren,
dus invloeden afkomstig van planten, dieren en de mens).
Tot de abiotische factoren behoren o.a. lichtsterkte, belichtingsduur,
temperatuur, hoeveelheid water, samenstelling van de lucht, wind en
bodemgesteldheid.
Alle factoren beïnvloeden
elkaar, waardoor het totaal een complex geheel vormt.
Elke milieufactor heeft voor een organisme een minimale waarde, een
maximale waarde en een optimale waarde.
Bij de minimale waarde van een milieufactor is deze nog juist sterk
genoeg om een bepaald levensproces van een organisme mogelijk te maken.
Afb.
7.1 Optimumkromme
Bij de maximale waarde van een milieufactor is deze zo sterk, dat een
bepaald levensproces nog juist mogelijk is. Als deze factor nog sterker
wordt, komt dat levensproces tot stilstand.
Tussen deze twee uitersten ligt voor een bepaald levensproces de
optimale waarde van de milieufactor (afb. 7.1). De factor heeft dan een
zodanige invloed dat het levensproces zo gunstig mogelijk verloopt.
§ 2
ABIOTISCHE FACTOREN
■
Lichtsterkte en belichtingsduur
■
In verband met de fotosynthese zijn voor groene planten de lichtsterkte
en de lichthoeveelheid belangrijke milieufactoren. Planten hebben niet
allemaal evenveel licht nodig. Er zijn schaduwplanten en zonplanten en
er zijn kortedagplanten en langedagplanten.
Er is een bepaalde lichtsterkte nodig (de minimumlichtsterkte) om de
fotosynthese te laten beginnen. Bij toename van de lichtsterkte neemt de
intensiteit van dit proces toe. Bij een bepaalde lichtsterkte bereikt de
fotosynthese een maximum. Die lichtsterkte is de optimale lichtsterkte.
Als de lichtsterkte nog meer toeneemt, neemt de fotosynthese af. Bij de
maximale lichtsterkte is er nog juist fotosynthese. Bij nog sterker
licht stopt de fotosynthese. Naar de verschillen in lichtsterkte kunnen
we planten indelen in schaduwplanten en zon planten.
Er is een soortgelijk verhaal te houden over de minimale duur, de
optimale duur en de maximale duur van de belichting. We spreken dan van
kortedagplanten en langedagplanten.
• Schaduw- en zonplanten •
Planten die in een dicht bos groeien, zijn schaduwplanten. Zulke planten
hebben een optimum bij een geringe lichtsterkte. Grassen groeien onder
bomen niet goed. Grassen hebben voor een goede groei een sterke
belichting nodig. Grassen hebben een optimum bij een grote
lichtintensiteit. Grassen zijn, net als een- en tweejarige planten,
zonplanten.
De meeste planten kunnen zowel bij sterk als bij zwak licht groeien.
Voor alle soorten planten is een optimale lichtsterkte vast te stellen.
Bij zeer sterke belichting loopt de temperatuur hoog op. Het gevolg kan
zijn dat planten daardoor doodgaan. Kamerplanten in de vensterbank, in
de felle zon, sneuvelen nog wel eens op deze manier.
Als het licht te zwak is, kan een plant doodgaan door gebrek aan
voedsel. Er vindt geen fotosynthese plaats en er wordt dus geen glucose
gevormd.
Afb.
7.2 Dichte aanplant veroorzaakt lichtgebrek. Daardoor zijn de onderste
takken afgestorven.
Als in een bos de bomen dicht op elkaar staan, krijgen
de onderste takken zó
weinig licht, dat ze afsterven. Dit gebeurt bijvoorbeeld in een
sparrenbos (afb. 7.2). Het dicht op elkaar aanplanten wordt met opzet
gedaan. De eigenaar van het bos wil zo weinig mogelijk takken en zo
recht en lang mogelijke stammen.
• Kortedag- en langedagplanten •
Veel planten zijn in verband met de bloei gevoelig voor de lengte van de
dag. Planten die per dag minder dan 12 uur licht nodig hebben om te
kunnen bloeien, heten kortedagplanten. Hiertoe behoren voorjaars- en
najaarsplanten. Planten die in de zomer bloeien, zijn langedagplanten.
• Kortedag- en schaduwplanten •
Ondergedoken planten (waterplanten die onder water groeien) hebben het
karakter van kortedagplanten. Door het wateroppervlak in sloot en plas
wordt een deel van het licht teruggekaatst. Komt de zon hoger, dan wordt
er minder licht teruggekaatst.
In de sloot begint de dag dus later en valt de schemering eerder in dan
op het land. Ondergedoken planten hebben ook meestal het karakter van
schaduwplanten. Hoe dieper je in het water komt, hoe geringer de
lichtintensiteit is. In diep water komt plantaardig leven meestal alleen
voor tot een diepte van maximaal 100 meter. Ondergedoken planten kunnen
met minder dan 1 % van het daglicht toch nog meer glucose maken dan ze
nodig hebben voor hun oxidatie.
Ze hebben dunne, doorschijnende, grote bladeren, met veel
bladgroenkorrels.
• Verschijnselen onder invloed van licht •
Veel periodieke verschijnselen in plantenen dierenwereld worden
veroorzaakt door de abiotische factor licht. Hier volgen een aantal
voorbeelden: winterslaap, het na de winterslaap weer actief worden,
vervellen, verharen, in de rui gaan, verpoppen, het trekken van vogels,
het optreden van een bronstperiode, dag- en nachtritme, slaapbewegingen
van bloemen, het in bloei komen.
In het algemeen vinden deze verschijnselen hun oorzaak in de
aanwezigheid van lichtgevoelige enzymen en lichtgevoelige hormonen.
1 De zon is de uitwendige energiebron die het leven op aarde mogelijk
maakt. Leg dat uit.
2 Lariks, struikheide en grassen zijn zonplanten. Wat wil dat zeggen?
3 Klaverzuring, bosbes en diverse varensoorten zijn planten die je vaak
in een bos aantreft als ondergroei.
a Wat is ondergroei?
b Wat voor soort planten zijn
de genoemde planten dus?
4 Hoe kan men vogels in de winter laten broeden?
6 De kringloop van het water (verdampencondenseren - regenen -
verdampen enz.) wordt in stand gehouden door zonne-energie. Leg dat uit.
7 Leg uit welk verband er bestaat tussen vogeltrek en licht.
Afb.
7.3 Optimumkromme van een enzym
■
Temperatuur
■
Levensfuncties worden beïnvloed
door enzymen (biokatalysatoren). Enzymen zijn eiwitten. Ze zijn zeer
gevoelig voor temperatuur. Bij een lage temperatuur is de werking van
een enzym nihil. Bij een te hoge temperatuur verandert het karakter van
het eiwit en kan het enzym zijn functie niet meer verrichten. Elk enzym
heeft een eigen optimumkromme (afb. 7.3). Het temperatuurminimum,
-maximum en -optimum van een organisme zijn afhankelijk van de minimale,
de maximale en de optimale waarde voor het totaal van zijn enzymen.
Elk organisme heeft een eigen minimale, optimale en maximale
temperatuur. Planten uit de tropen hebben een minimum dat vele graden
boven 0 °C ligt. Planten
uit koude streken kunnen vele graden onder 0 °C
verdragen.
In het voorjaar en in het najaar is nachtvorst voor planten zo
gevaarlijk, doordat ze dan hun maatregelen tegen de koude niet meer, of
nog niet, hebben getroffen. Deze maatregelen bestaan uit een
vermindering van het vochtgehalte (dus sterk geconcentreerd celvocht) en
bescherming tegen verdamping (bladval, kurkvorming).
Een bos kan zich ontwikkelen bij een gemiddelde jaartemperatuur van 3 °C
en een gemiddelde zomertemperatuur (gedurende mei-augustus) van boven
10°C. De lijn waarboven het te koud is voor boomgroei, is de boomgrens.
Dit is de lijn van ongeveer L 10°C in de zomer.
8 Over het algemeen hebben organismen een kleine tolerantie voor
de milieufactor temperatuur. Op welke manier maakt de mens daarvan
gebruik?
9 Sommige planten en dieren kunnen enige tijd in leven blijven bij een
temperatuur waarbij stofwisseling onmogelijk is.
a Geef voorbeelden van
dergelijke planten en dieren.
b Welke maatregelen nemen ze?
c Welke organismen zijn daartoe
beter in staat, landdieren of waterdieren?
10 Vogels en zoogdieren kunnen in de poolstreken leven, amfibieën
en reptielen kunnen dat niet. Hoe komt dat?
11 Veel organismen gaan dood bij lage temperaturen. Op welke manier
zorgen ze ervoor dat de soort toch blijft voortbestaan?
Afb.
7.4
12 Oorschelpen, snuit en poten van nauwverwante warmbloedige
diersoorten, worden steeds kleiner naarmate ze in koudere streken leven,
terwijl ze steeds groter worden naarmate ze in warmere streken leven.
Leg uit wat daarvan het nut is (afb. 7.4).
13 Bekijk afbeelding 7.5. De een reist van de evenaar naar de pool, de
ander vanuit het dal naar een top in het hooggebergte. Beiden komen door
dezelfde vegetatiegordels. Leg dat uit.
14 Welke invloed heeft de temperatuur op het functioneren van de
huisvlieg?
■ Water
■
Water is onmisbaar voor alle organismen. Als planten en dieren water
verliezen door verdamping en als ze geen nieuw water opnemen, sterven
ze. Water is nodig voor:
- de vorming van cytoplasma en celvocht; - het oplossen en transporteren
van o.a. voedingszouten;
- de fotosynthese;
- de regeling van de temperatuur van bodem, lucht en organismen;
- het uitspoelen van schadelijke stoffen uit de bodem.
Afb.
7.6 Schematische voorstelling van de kringloop van het water
Het water heeft een eigen kringloop, zie afb. 7.6. Het verdampt en slaat
(als regen, sneeuw, hagel, mistdruppels of dauw) weer neer. Een groot
deel van de neerslag vloeit af naar zee of ander open water.
• Opslagplaats van warmte •
Van nature wordt water verwarmd door de zon en door de lucht. Het water
vormt een warmtereservoir door de grote soortelijke warmte en de slechte
warmtegeleiding.
In oppervlaktewater komen grote temperatuurschommelingen, zoals op het
land, niet voor. De temperatuur stijgt en daalt in het water veel
langzamer dan op het land. Daardoor is water zo geschikt voor dieren met
een nietstandvastige lichaamstemperatuur (koudbloedige dieren).
Gedurende de winter is het water voor vissen, amfibieën,
waterinsekten, weekdieren en andere waterdieren een goede
verblijfplaats. Ook de overwinterende delen van waterplanten kunnen dan
verder leven.
• Circulatie van warmte •
Open water is erg belangrijk voor de verdeling van warmte over de aarde.
Door verschil in soortelijke massa van koud en warm water, door wind en
door stroming, wordt de warmte in het water verspreid. Water heeft een
bijzondere eigenschap: de dichtheid is het grootst bij 4 °C. Anders
gezegd: de soortelijke massa van water van 4 °C is 1 g/cm3 en bij elke
andere temperatuur heeft water een soortelijke massa die kleiner is dan
1 g/cm3. Water met een hogere of een lagere temperatuur dan 4 °C zal als
het ware gaan 'drijven' op het water van 4 °C (wet van Archimedes). (herfstcirculatie;
afb. 7.7)
15 Wat de bodem betekent voor landorganismen komt overeen met wat
water betekent voor de daarin levende organismen. Leg dat uit.
16 Waar zijn ondergedoken waterplanten en permanent onder water
levende dieren voor hun gaswisseling op aangewezen?
17 Hoe is een cactus aangepast aan het leven in de woestijn?
18 Noem factoren die van invloed zijn op de hoeveelheid water die
door een organisme wordt verdampt.
19 Hoe komen land planten aan water?
20 Hoe komen dieren aan water?
21 Dieren die in de woestijn leven, hebben
een sterk verhoornde huid.
Waarom is dat noodzakelijk?
22 Sommige in het water levende organismen hebben speciale
inrichtingen om te veel opgenomen water te verwijderen.
Waardoor nemen
ze zoveel water op?
■ Lucht
■
Een belangrijke factor voor de groei van planten is het
CO2-gehalte van
het milieu. Voor fotosynthese is CO2 nodig. voor bijna alle planten
is het in de lucht voorkomende CO2-gehalte niet optimaal,
het is te
laag. Bij verhoging van het CO2
gehalte is er een sterkere fotosynthese.
In kassen waarin sla wordt geteeld, wordt
door een verhoogd CO2
gehalte gezorgd voor versnelde groei
(CO2-bemesting).
Hoewel planten CO2 aan de lucht onttrekken, neemt de hoeveelheid
CO2 in de lucht loortdurend toe. Alle organismen produceren bij de
oxidatie CO2, maar bovendien mtstaat er
CO2 bij elke snelle oxidatie
(verbranding van o.a. hout, turf, bruinkool, teenkool, dieselolie,
benzine, kerosine). Men maakt zich zelfs bezorgd over deze
CO2
toename, in verband met het zogenaamde 'broeikaseffect'.
Bij een niet te lage temperatuur en bij voldoende
lichtsterkte zullen ondergedoken planten voortdurend
CO2 verbruiken.
Hierdloor vermindert de hoeveelheid CO2 in het vater. De hoeveelheid
CO2
in het water vordt aangevuld doordat CO2 vanuit de ucht naar het water
diffundeert, en doordat in het water levende organismen de
CO2 die tijdens de oxidatie is ontstaan,
afgeven aan het water.
Voor oxidatie hebben planten en dieren, zowel in het water als op het
land, zuurstofnodig. Lucht bevat ongeveer 20% zuurstof,
water maar
ongeveer 0,7%. Ook tijdens de verbranding (snelle oxidatie) is zuurstof
nodig. Er wordt dus voortdurend zuurstof ottrokken aan de atmosfeer.
Door de fotosynthese wordt er weer zuurs:tof in de lucht gebracht.
Belangrijke gebieden voor het ontstaan van zuurstof zijn le tropische
regenwouden en de wereldzeeën,
waar de groenwieren de grote producenten van zuurstof zijn.
Het zuurstofgehalte van water wordt op peil gehouden door
fotosynthese van ondergedoken planten en door diffusie vanuit de
lucht.
23 Leg uit wat beter is, een aquarium met veel planten en weinig
vissen of een aquarium met weinig planten en veel vissen.
24 De ontbossing die in Zuid-Amerika nog dagelijks plaatsvindt, is
een mondiaal gevaar. Leg uit waarom dat zo is.
■ Wind
■
Wind is voor veel planten belangrijk in verband met het
stuifmeeltransport. Windbestuiving vindt bijvoorbeeld plaats bij els,
hazelaar, eik, beuk, berk, iep, naaldbomen en grassen.
Wind speelt ook een belangrijke rol bij de verspreiding van vruchten
en zaden.
De lucht in de bodem wordt mede door de wind ververst. Als de wind
over de bodem strijkt, wordt er lucht uit de bodem gezogen. Het tekort
wordt aangevuld met verse lucht.
Wind kan de oorzaak zijn van een zeer snelle verdamping. Als de lucht
weinig vocht bevat, ontstaat bij wind een sterk verhoogde verdamping.
Daardoor kunnen bladeren, zelfs met gesloten huidmondjes, nog veel vocht
verliezen. In onze kuststreken waait het meestal. Daar treffen we dan
ook 'windvormen' aan. Deze ontstaan doordat de knoppen aan
de windzijde door een te sterke verdamping uitdrogen en doodgaan. Door wind kunnen bomen ook omwaaien of worden stam of takken
afgebroken.
■ Bodem
■
De samenstelling van de bodem is van belang voor de
plantengroei. Voor een goede plantengroei moet de grond verschillende
zouten bevatten waarin stikstof, fosfor, kalium, calcium, zwavel, ijzer
en magnesium aanwezig zijn. Van sommige elementen behoeven slechts
sporen (zeer kleine hoeveelheden) aanwezig te zijn: kobalt, borium,
zink en mangaan. Dit zijn spoorelementen.
In weilanden zijn koper- en kobaltgebrek zeer nadelig voor koeien.
Voor de vorming van DNA is fosfor onmisbaar en zonder zwavel kunnen er
geen eiwitten worden gevormd.
De hoogte van de grondwaterspiegel is een belangrijke factor.
Gewassen op de akker kunnen voldoende water opnemen als de
grondwaterspiegel 50 tot 75 cm beneden het maaiveld ligt. Als de planten
goed beworteld zijn, mag de grondwaterspiegel zelfs tot op een diepte
van 1 m liggen. Bij grasland mag de diepte variëren
van 30 tot 50 cm. Het water stijgt door de bodemcapillairen naar de
plantewortels. De capillaire opstijging is afhankelijk van de
bodemstructuur. Hoe fijner de capillairen zijn, hoe langzamer de
stijging is , maar ook hoe hoger het water komt.
25 Vier glazen cilinders A, B, C en D worden aan de onderkant elk
met een stop afgesloten. Daarna vult men de buisjes alle vier met een
gelijke hoeveelheid grond:
- zand (in A); - klei (in B); - tuingrond (in C);- humusrijke grond, bijv. potaarde (in D).
Elk buisje wordt bijgevuld met water en afgesloten met een stop. De
buisjes worden goed geschud en in een statief gezet. De verschillende
bodemdeeltjes zetten zich in de buisjes gelaagd af.
a In welk buisje bezinken de bodemdeeltjes het snelst?
b In welk buisje bezinken de bodemdeeltjes het traagst?
c Hoe is het verschil te verklaren?
d Welke van de gebruikte grondsoorten bevat de meeste humus?
e In welke van de gebruikte grondsoorten komt de minste humus voor?
26 Vier glazen cilinders A t/m D worden elk aan de onderkant voorzien
van een doorboorde stop met afvoerbuis. Boven de stoppen wordt in elk
buisje een even grote prop watten aangebracht. De buisjes worden dan
elk voor circa 3/4 deel gevuld met respectievelijk:
- zand (in A); - klei (in B); - tuingrond (in C); - humusrijke grond (in D).
Nadat de buisjes in een statief zijn geplaatst, worden er
bekerglazen onder de afvoerbuizen gezet. Vervolgens wordt in elk van de
cilinders 100 cm3 water gegoten.
a Welke grondsoort houdt het best water vast?
b De hoeveelheid water die door een bepaalde hoeveelheid grond kan
worden vastgehouden, is de watercapaciteit of het waterhoudend vermogen.
Hoe zou men te werk moeten gaan om de watercapaciteit van een bepaalde
grondsoort vast te stellen?
c Waarom kan het van belang zijn de
watercapaciteit van een bepaalde grondsoort te kennen?
d Waarvoor dienen de watten?
27 Vier circa 80 cm-lange glazen buizen worden elk aan de onderkant
voorzien van een doorboorde stop met afvoerbuis. Boven de stop wordt in
elke buis een even grote prop watten aangebracht. Vervolgens worden de
buizen gevuld met respectievelijk:
- zand (buis A); - klei (buis B); - tuingrond (buis C); - humusrijke grond (buis D).
De buizen worden zó in
een statief gezet, dat de bovenkanten van de wattenproppen onder water
staan.
a Welke twee verschijnselen kunnen nu bij elke buis worden
waargenomen?
b In welke buis stijgt het water het meest?
c In welke buis stijgt
het water het minst?
d Welke conclusie trek je als je de korrelgrootte
in verband brengt met de stijghoogte?
e Waarom is het van belang de stijghoogte van het water in
verschillende bodemsoorten te kennen? Het stijgen gaat het snelst in zand. Betekent snel stijgen ook veel
stijgen?
28 Bekijk afbeelding 7.9.
De plant in buis A groeit in losse tuinaarde. De plant krijgt
regelmatig water.
Buis B bevat dezelfde grond als buis A, maar is van onderen
afgesloten. De grond is door en door nat. Als er water verdampt, wordt
een gelijke hoeveelheid water bijgegoten.
In buis C zit zware klei. Klei slibt dicht als het wordt begoten. Het
water kan niet in de grond dringen.
Het grove grind in buis D laat het water bijna in zijn geheel door.
a Wat zie je aan de kiemplanten?
b Wat zijn de oorzaken van deze verschillen?
29 Voordat kale rotsgrond is veranderd in een bodem waarop iets kan
groeien, heeft zich een zeer langdurig proces afgespeeld. Het begint met
erosie.
a Wat is erosie?
b Hoe noemt men de eerste vegetatie die zich vestigt in het
erosiepuin ?
c We kennen o.a. erosie door water en erosie door wind.
Voor welke van deze twee erosievormen zijn zandgebieden vooral
gevoelig?
d In wat voor soort terrein zal de andere erosievorm vooral tot
uiting komen?
e Welke invloed hebben grote temperatuurverschillen op rotsgrond?
f Welke invloed hebben vorst en dooi in combinatie met vocht op de
bodem?
** Een accommodatie in Nederland
kunt u goed vinden via
Hotels/Appartementen/NL (1664).
Uw accommodatie in België kunt U goed boeken via
Hotels/Appartementen/België.
** Via
Hotels/Wereldwijd kunt u goed zoeken naar een juiste accommodatie in
71 landen.
** Hoe maak ik een
printversie van
de pagina"?
**
You can make the text larger by pressing
the "Ctrl" and the "+" key at the same time!
** Uw "Tablet-pc" en
Stedentips voor Trips, een ideale combinatie! ▲
|