|
RELATIES EN GEDRAG, naar overzicht flora en fauna § 4 ECOSYSTEMEN■ De opbouw van een ecosysteem ■De biosfeer is het gedeelte van de aarde dat wordt bewoond door organismen. De biosfeer omvat het water, het bovenste deel van de aardkorst en het onderste deel van de dampkring. De biosfeer is te verdelen in ecosystemen. Een ecosysteem is een deel van de biosfeer. Het vormt een eenheid van abiotische factoren met de daarin levende planten en dieren (bos, heide, strand, duin, sloot en plas). De planten en dieren uit een ecosysteem vormen samen een levensgemeenschap. • Gelaagdheid • In de meeste ecosystemen kunnen we niet alleen een horizontale rangschikking van de organismen onderscheiden, maar ook een verticale. In een bos bijvoorbeeld, komen de volgende lagen voor: hoge boomlaag, lage boomlaag, struiklaag, kruidlaag, moslaag en bodem. Daarbij wordt vaak nog onderscheid gemaakt tussen hoge kruidlaag en lage kruidlaag. In sloot en plas zijn te onderscheiden de laag boven het water (vliegende insecten, stengels van veel water- en moerasplanten), het wateroppervlak (drijvende waterdieren, drijvende bladeren), het water (zwemmende organismen en de bladeren van ondergedoken planten), het bodemoppervlak (paling, bodemplanten) en de bodem (plantenwortels, micro-organismen). In de bodem van het wad leven schelpdieren en wormen op verschillende diepten. In de weide is er een bovenlaag (hoge grassen en kruiden), een middenlaag (ondergrassen en lage kruiden), de bodemlaag (wortelrozetten en wortelbladeren) en de bodem (wortels, wormen, insecten, micro-organismen). We spreken van gelaagdheid als er bepaalde etages (lagen) zijn te onderscheiden. Gelaagdheid vergroot het aantal mogelijke woonplaatsen voor organismen. • Organismen • Sommige soorten planten of dieren komen alleen maar voor in een bepaalde gemeenschap. Zulke soorten zijn kensoorten. Die soorten zijn karakteristiek voor de gemeenschap waarin ze voorkomen (kruipbrem - heide; lisdodde - rietgemeenschap; blauwe bosbes - eiken/berkenbos). Begeleidende soorten stellen minder hoge eisen aan hun externe milieu. Deze soorten komen in een bepaalde levensgemeenschap voor, maar worden ook wel in een andere soort levensgemeenschap aangetroffen. Er is een voortdurende wisselwerking tussen de planten en dieren van een levensgemeenschap onderling en eveneens met de hun omringende abiotische omgeving . Het gehele ecosysteem is erop gericht een blijvende evenwichtstoestand te bereiken. ■ Energievoorziening ■De autotrofe organismen (groene planten) binnen een bepaald ecosysteem zorgen voor het vastleggen van de energie die nodig is voor het voortbestaan van het betreffende ecosysteem. Die vastgelegde energie is via fotosynthese vastgelegde zonne-energie. Van buiten het ecosysteem kan ook energie het systeem binnenkomen in de vorm van gebonden energie. Organismen die uit een ander systeem afkomstig zijn, bevatten immers chemische energie, want ze bestaan uit organische stoffen. Een ecosysteem verliest voortdurend energie aan het milieu, doordat er binnen alle organismen oxidatie optreedt in de cellen. Er verdwijnt ook energie uit het ecosysteem als organismen zich in een ander systeem vestigen. De hoeveelheid energie wordt op peil gehouden door de autotrofe organismen. Binnen het systeem is er overdracht van energie binnen kringlopen. ■ Habitat ■De specifieke omgeving, dus de stand- en groeiplaats of de woonplaats van een organisme binnen een ecosysteem, heet de habitat. De habitat van de els bijvoorbeeld is vochtige zandgrond, die van brem droge zandgrond. Van een aantal insecten is de habitat de strooisellaag, andere insecten komen voor in schorsspleten. De reiger zoekt zijn voedsel in en langs weilanden met sloten. Lijsters leven meestal in de struiklaag van het bos. Zeepieren zitten in een bepaalde strook van het wad op een bepaalde diepte.
■
Niche
■ ■
Kringlopen
■
De verschillende voedselketens in een ecosysteem vormen een voedselnet (ook wel voedselweb genoemd), (afb. 7.20) daar één diersoort in verschillende voedselketens een plaats kan hebben. 35 Maak duidelijk waarom het voedselgebied van een haas 10000x zo groot moet zijn als het voedselgebied van een veldmuis. • Biomassa •Als organische stof van de ene schakel van de keten overgaat naar de volgende schakel, treedt er een verlies op aan biomassa. Dit is de totale hoeveelheid levende stof van een bepaalde groep organismen. Het opgenomen voedsel wordt namelijk gedeeltelijk benut om er energie aan te onttrekken. Het wordt dus maar voor een deel gebruikt voor de assimilatie van nieuwe biomassa. Daardoor wordt de totale hoeveelheid biomassa van elke volgende schakel minder. Het gevolg daarvan is dat over het algemeen ook het aantal individuen in elke volgende schakel van een voedselketen steeds kleiner wordt. ■ Successie ■Ecosystemen veranderen. In een ecosysteem volgt de ene levensgemeenschap de andere op, afb. 7.21. Dit komt doordat een levensgemeenschap op den duur een verandering van het milieu veroorzaakt. De levensmogelijkheden voor sommige andere soorten planten en dieren worden daardoor groter, terwijl de levensmogelijkheden voor de bestaande soorten kleiner worden. Op een kale vlakte verschijnen korstmossen en mossen als eerste planten, pioniervegetatie. Ze vormen humus en veranderen het milieu zodanig, dat andere planten er hun habitat vinden: kruidachtige planten verschijnen. Na min of meer lange tijd volgen struiken en ten slotte ontstaat er een bos. Een bos vormt in de successie de climax. Een climax is gedurende enige tijd de min of meer stabiele vorm van een ecosysteem. Als zich geen rampen voordoen, kan zo'n climax honderden jaren blijven bestaan. In plassen en meren bestaat de eerst voorkomende vegetatie uit planten als waterpest, hoornblad en de verschillende soorten fonteinkruid. Dit zijn planten met ondergedoken stengels en bladeren. Dan, als de bodem voldoende is opgehoogd, komen planten voor die in de bodem wortelen, maar waarvan de bladeren drijven. Op hetzelfde moment als de voorgaande planten verschijnen ook kroos, kikkerbeet en vlotvaren. In het derde stadium komen planten voor met boven water uitstekende stengels, zoals riet, lisdodde, mattenbies en kalmoes. Door afgestorven plantenmateriaal wordt de bodem steeds hoger. Na verloop van tijd is er sprake van een moerasvegetatie die overgaat in een oevervegetatie. Uiteindelijk ontstaat een landvegetatie. Door verlanding is de oorspronkelijke plas verdwenen. Door golfslag kan de verlanding weer teniet worden gedaan. Denk aan de vorm van een aantal Nederlandse plassen die van het zuidwesten naar het noordoosten lopen als gevolg van de in Nederland' overheersende windrichting (Haarlemmermeer, de Fluessen). Plantengemeenschappen veranderen voortdurend. Dierengemeenschappen
zijn hiermee nauw verbonden. Elke plantengemeenschap heeft een eigen
dierengemeenschap. Successie in de vegetatie heeft dus ook invloed op de
dieren die te midden van de vegetatie leven. ■ Biologische evenwicht ■In een levensgemeenschap heerst een biologisch evenwicht. De vermeerdering of vermindering van het aantal individuen van een bepaalde soort wordt steeds gevolgd door een vermindering, respectievelijk vermeerdering. Het aantal individuen van een bepaalde populatie is dus niet constant, maar schommelt om een bepaalde evenwichtstoestand. Als er veel soorten in een gemeenschap voorkomen, is de gemeenschap stabieler dan wanneer er weinig soorten voorkomen. Hoe meer soorten er zijn, hoe meer verbindingen er in het voedselnet zijn (afb. 7.22). Verschuivingen daarin worden dan gemakkelijker opgevangen. Het biologisch evenwicht blijft bij een grote soortenrijkdom beter gehandhaafd dan in soortarme levensgemeenschappen. 41 Noem verschillende climaxen. • Het recht van de sterkste? • Lees onderstaand het krantenartikel door en beantwoord daarna kort de volgende vragen. Vermeld achter je antwoord tussen haakjes eventueel de regelnummers waarop je je antwoord baseert.46
a Wat is predatie? Niet alleen zwakkere dieren vallen ten prooi aan roofdieren Roofdieren hebben de naam de natuur gezond te houden, omdat ze zieke
en zwakke dieren doden en opeten. Het is echter de vraag of dat wel terecht is. Uit onderzoek naar predatie
door wilde honden en jachtluipaarden in het Serengetipark,
blijkt dat deze helemaal niet zo selectief zijn als
altijd is gedacht. ■ Levensgemeenschap van wadden en slikken,
kwelders en schorren ■ Tijdens vloed staan ze onder water, tijdens eb vallen grote stukken droog. Bij afnemend tij blijven deeltjes die in het water zitten, op de droogvallende gronden achter, waardoor deze worden opgehoogd. Hierdoor verandert een wad na verloop van tijd in een kwelder, een slik in een schor. Kwelders en schorren lopen niet meer bij elke vloed onder, alleen maar af en toe, als het water hoger staat dan normaal (springtij, storm). • Dierlijk leven • Op al dat in de bodem zittende voedsel komen talrijke vogels af, afb. 7.24. We vinden er standvogels, zomergasten, wintergasten en doortrekkers. • Plantaardig leven • Om in het zoute milieu te kunnen leven, slaat zeekraal zoveel zouten via de wortels in de weefsels op, dat de zoutconcentratie hoger is dan die van het omringende water. Daardoor kan zeekraal toch nog water uit het zoute bodemwater opnemen. 47 Wat zou er gebeuren met een zeekraalplant als deze plotseling geen zout meer in de weefsels zou hebben? In gezelschap van zeekraal groeit klein slijkgras en Engels
slijkgras. De laatste wordt ook wel aangeduid met de veelzeggende naam slikpest.
Slikpest is uit Engeland ingevoerd en hier uitgezet omdat de plant zo
goed slib kan vastleggen en dus een flinke bijdrage tot landaanwinning
kan leveren. Slikpest kan één meter hoog worden. In de Zeeuwse en Zuidhollandse
slikgebieden heeft slikpest klein slijkgras en zeekraal helemaal
verdrongen. Waar slikpest groeit, wil bijna niets anders meer groeien.
Hoe hoger de gronden gelegen zijn, hoe minder het aantal planten wordt dat speciale voorzieningen heeft in verband met het leven in een zout milieu. Het kweldergrasland is een natuurlijk grasland waar men schapen laat grazen. • Belang Waddengebied • De duinen zijn met de zilte gronden de oorspronkelijkste Nederlandse natuurgebieden. Ze zijn ook de belangrijkste in natuurwetenschappelijk en landschappelijk opzicht. Waddeneilanden en Waddenzee dienen dan ook als zodanig te blijven bestaan. Ze staan op de wereldlijst van 'wetlands' (Eng.) bovenaan voor wat betreft biologische waarde. Ernstige vervuiling van de Waddenzee zou een ramp betekenen voor het vogelleven in grote delen van Europa. 48 Met welke verandering van het milieu hebben planten en dieren die
op het wad leven voortdurend te maken? b Abiotische factor beïnvloedt biotische factor. c Biotische factor beïnvloedt abiotische factor. d Biotische factor beïnvloedt biotische factor. 50 Sommige waterplanten en -dieren kunnen het zoutgehalte van hun lichaamsvocht handhaven, onafhankelijk van het hun omringende water. a Waarom noemt men dit osmoregulatie? b Waarom is osmoregulatie voor planten en dieren die in de Waddenzee leven, een levensvoorwaarde? 51 Veel van de organismen die in de Waddenzee voorkomen, hebben drie eigenschappen: - ze zijn snelgroeiend; - ze brengen grote aantallen nakomelingen voort; - de nakomelingen verspreiden zich zover mogelijk. Leg uit dat deze eigenschappen voor het voortbestaan van de soort van groot belang zijn. 52 Leg uit waarom veel waddieren ingegraven in de bodem leven. 53 Waar zullen vissen en kreeftachtigen zich 's winters bij voorkeur ophouden, in de Waddenzee of in de Noordzee? Leg uit waarom. 54 Geef een mogelijke verklaring voor het feit dat de zeehonden populatie van de Waddenzee 's winters ergens anders heengaat. 57 De mossel en de kokkel zijn filtreerders. Ze filtreren het water. a Op welke manier doen ze dat? b Wat bereiken ze met deze filtratie? 58 De wadpier is een zandeter. a Waarom eet dit dier zand? b Waaraan is te zien dat de wadpier zand eet? 59 Een wadpier moet geregeld even achterwaarts omhoog kruipen om het achtereind van zijn darm te ledigen. Hij doet dat snel en trekt zijn lichaam weer vlug terug. Vanwaar die haast? 60 Bepaalde gebieden van de Waddenzee staan bekend als 'mosselpercelen'. a Waarom worden die gebieden zo genoemd? b Waarom worden op die mosselpercelen zeesterren bestreden? 61 Puntaal, zeedonderpad, botervis en brakwatergrondel zijn standvissen. Ze hechten hun eieren aan stenen, schelpen en wieren. a Wat zijn standvissen? b Deze vissen vertonen broedzorg. Wat wordt hieronder verstaan? c Zullen de aantallen eieren, afgezet door een wijfje van deze soorten, in de miljoenen lopen of in de honderden? Licht je antwoord toe. 62 Zeebaars en makreel zijn zomergasten in de Waddenzee. a Wat zijn zomergasten? b Wat is de reden van hun verblijf in de Waddenzee? 63 Schol, tong, haring en sprot gebruiken de Waddenzee als kinderkamer. Leg uit dat een ernstige vervuiling van de Waddenzee grote economische schade met zich meebrengt. 64 Het Waddengebied wordt aan alle kanten bedreigd door economisch handelen. Geef daarvan voorbeelden. 65 Beantwoord met behulp van afbeelding 7.27 de bijbehorende vragen. 66 Om te ruien trekken veel vogels naar het Waddengebied. Leg uit wat het verband is tussen ruien en verblijf op de Wadden. ** Een accommodatie in Nederland
kunt u goed vinden via
Hotels/Appartementen/NL (1664).
Uw accommodatie in België kunt U goed boeken via
Hotels/Appartementen/België.
|
18-01-2012 |