67 Instinctief gedrag is kenmerkend voor de soort, niet voor het
individu. Licht dit toe.
68 Jonge eendjes bezitten een erfelijk volginstinct. Als men bij
eenden die machinaal zijn uitgebroed en die dus nooit hun moeder
hebben gezien, een grote bal langzaam voortrolt, volgen de eendjes
die bal.
Afb. 7.29 Instinctief gedrag van een kloek.
a Kuiken wel zichtbaar, maar niet hoorbaar.
b Kuiken wel hoorbaar, maar niet zichtbaar.
a Is het volgen doelmatig? b Licht je antwoord toe.
c Is dit volgen van de bal doelbewust? d Licht je antwoord toe.
e Waarom is dit experiment niet uitvoerbaar met eendjes die in een
nest zijn uitgebroed?
69 De Nederlandse hoogleraar Niko Tinbergen construeerde een
'namaakvogel' (afb. 7.30).
Als hij die vogel in richting p bewoog, vluchtten de jonge eendjes.
Bewoog hij de vogel in richting q, dan reageerden de eendjes daarop
niet.
a Waarop lijkt de vogel als hij in richting p wordt bewogen?
b Waarop lijkt de vogel als hij in richting q wordt bewogen?
c Waaruit blijkt het doelmatige van het instinctief gedrag van de
eendjes?
d Waaruit blijkt dat dit gedrag niet doelbewust is?
70 Een gans 'harkt' een uit het nest weggerold ei met gestrekte hals
terug in het nest. Daarbij wordt de ondersnavel over het ei geklemd. Het
zijwaarts wegrollen wordt opgevangen door bij te sturen.
Wat berust op instinct en wat op leergedrag?
71 Een kievit trappelt als de grond van de wei nat en zacht is anders
dan wanneer de bodem van de wei nat en hard is.
Wat berust op instinct en wat op leergedrag?
• Functies van het instinctief gedrag • Instinctief gedrag dient tot
zelfbehoud, tot soortbehoud en tot behoud van de gemeenschap.
ZeLfbehoud
Hiervoor is naast voedsel meestal ook zelfverdediging noodzakelijk.
Elke diersoort heeft een erfelijk gedragspatroon dat gericht is op het
verkrijgen van voedsel en op zelfverdediging.
Kat en hond vangen hun prooi op een geheel verschillende manier. Die
manier van prooi vangen is erfelijk. Door oefening en ervaring worden
hun instinctieve handelingen niet wezenlijk veranderd, maar wel
aangepast aan bijzondere situaties in hun externe milieu.
Het trekken van vogels is een instinctief gedrag dat in verband kan
staan met de beschikbare hoeveelheid voedsel. De trekneiging is
aangeboren. Als gevolg van de sleutel prikkels (verminderde daglengte,
temperatuurverandering) gaat de trekneiging over in een onweerstaanbare
trekdrang. Jonge zoogdieren zoeken instinctief de melkklieren van het
moederdier.
Bijen reageren instinctief op geur en kleur van bloemen.
Instinctief gedrag in verband met zelfverdediging kan bestaan uit
vluchten, zich verbergen, zich onbeweeglijk houden. Een dier kan zich
verdedigen met zijn natuurlijke wapens: gebit, klauwen, gewei, horens,
gif en stoffen uit stinkklieren. Elke diersoort handelt volgens een
gedragspatroon dat kenmerkend is voor de soort.
Soortbehoud
Bij het instinctief gedrag in verband met het behoud van de soort
onderscheidt men het paringsgedrag en de zorg voor de nakomelingen.
Het voorspel tot de paring is de baUs. Evenals alle instinctieve
handelingen is ook de balts kenmerkend voor een diersoort. Vormen,
kleuren, geuren, geluiden, bepaalde gedragingen zijn de
sleutelprikkels. Zij beïnvloeden de partner, waardoor deze tot het
verrichten van een bepaalde handeling komt.
Deze sleutelprikkels hebben alleen betekenis voor mannetjes en
wijfjes van dezelfde diersoort. Dieren van een andere soort reageren er
niet op. Paringen tussen dieren van verschillende soort komen in de
natuur niet voor. Zij verstaan elkaars 'taal' niet en reageren dus niet.
Bij duiven stapt de doffer 'parmantig' buigend en koerend rond de
duif. De pauwhaan zet zijn staartveren op om zo een pauwen tot paring
uit te nodigen (afb. 7.31).
Bij reptielen, amfibieën en vissen spelen de kleuren van het mannetje
een belangrijke rol bij het paringsgedrag.
De zorg voor de nakomelingen berust ook op instinctief gedrag.
Vissen zoeken instinctief een geschikte paaiplaats.
Sommige reptielen leggen hun eieren op plaatsen waar ze door de zon
worden verwarmd.
Holen worden gegraven en nesten worden gebouwd volgens een vast
patroon.
Bij de hoger ontwikkelde dieren worden de jongen gevoed en beschermd
tegen vijanden en gevaar. In het laatste geval wordt er bij de ouders
een bepaald instinct (vluchten) overwonnen door een ander instinct
(verzorgen van de jongen).
Behoud van de gemeenschap
Veel dieren leven niet alleen, maar samen met soortgenoten in een
gemeenschap. Voorbeelden zijn runderen, herten, schapen, geiten,
olifanten, apen, leeuwen, wolven.
Afb. 7.31 Baltsgedrag bij pauwen. De pauwhaan zet zijn staartveren op om een vrouwtje uit te nodigen voor de paring.
De dieren van een dergelijke gemeenschap - vaak kudde genaamd -
onderhouden onderling sociale betrekkingen. Er is dikwijls een bepaalde
taakverdeling, een rangorde en ook onderlinge communicatie. Tussen de
dieren bestaat een zekere saamhorigheid.
Het instinctief gedrag van dergelijke dieren is er geheel op gericht
het groepsverband te handhaven. Sleutelprikkels daartoe zijn vaak
geurstoffen en geluiden.
Het leven in de kudde vergroot in sterke mate de veiligheid van elk
dier. Bij gevaar kunnen de dieren van een kudde gemeenschappelijk
aanvallen.
Dieren reageren op een alarmsignaal. Dit kan geluid zijn, maar ook
geur, kleur of beweging. Het signaal is kenmerkend voor een diersoort (afb.
7.32).
De groep heeft een leider. Meestal is dit een ervaren mannetje.
De mannetjes vechten om het leiderschap. Zij imponeren elkaar door
het tonen van hun wapens, door zich zo groot mogelijk te maken en door
hun kwetsbare plaatsen te verbergen.
Zulke gevechten eindigen zelden met de dood van één van de vechtende
dieren. Zodra namelijk één van de dieren gaat capituleren (wapens
verbergen, zich klein maken, tonen van kwetsbare plaatsen) houdt de
winnende partij op met vechten. Deze dieren hebben een aangeboren drang
tot imiteren. Zij volgen van nature hun leider. 'Als er één schaap over
de dam is, volgen er meer.' Als er één dier schrikt en vlucht, wordt
het onmiddellijk gevolgd door de hele groep. De drang tot imiteren is
duidelijk waar te nemen bij een zwerm vogels.
Afb. 7.32 Een alarmsignaal bij een in scholen levende vis soort.
Er heerst in een groep vaak een bepaalde rangorde. Konrad Lorenz
(Oostenrijks doctor in de geneeskunde; waarnemer van diergedrag, in 1973
Nobelprijs) bestudeerde deze rangorde. Vechtpartijen ontstaan meestal
tussen de leider en het dier dat in rangorde dicht onder de leider staat
en dat de leiding pro beert over te nemen. In andere gevallen
capituleert het dier dat veel lager in rangorde staat, meestal voor het tot vechten komt.
Eskimohonden moeten volgens rangorde voor de slede worden gespannen.
• Communicatie met soortgenoten •
Dieren reageren op soortgenoten.
Zij doen dit volgens een gedrag dat erfelijk is vastgelegd. Geluid,
kleur, geur of een gebaar van een soortgenoot is de sleutelprikkel.
Geluid
Als een kloek de voedselroep laat horen, loopt het kuiken naar de kop
van de kloek om daar voedsel van de grond te pikken. Laat de kloek
echter de alarmkreet horen, dan verstopt het kuiken zich onder de
vleugels van de kloek.
Paarvorming bij insecten (krekels, sprinkhanen) en veel vogelsoorten
is een gevolg van geluiden die de mannetjes maken.
Kleur
Als een stekelbaarsmannetje in bruiloftskleed in zijn territorium
een ander mannetje in bruiloftskleed opmerkt, bedreigt hij hem. Daartoe
neemt de dreigende stekelbaars een bijna verticale stand aan, met de
kop naar beneden en met opgezette stekels. Nu en dan toont hij zijn rode
buik om zijn vijand te imponeren. De rode buikkleur van de indringer is
de sleutelprikkel. Zilvermeeuwen hebben op de ondersnavel een rode vlek.
Als een jong van een zilvermeeuw die vlek ziet, richt het de snavel
daarheen. Het zien van die vlek betekent immers heel vaak 'daar komt
voedsel aan'. De sleutelprikkel is dus de rode vlek.
Geur
Honden en wolven bakenen hun territorium af met urine. Andere honden
merken daaraan dat zij op 'andermans gebied' komen.
Veel vrouwelijke nachtvlinders verspreiden als zij geslachtsrijp
zijn, een bepaalde geur die kenmerkend is voor de soort.
Voor mannelijke vlinders van die soort is deze geur een
sleutelprikkel. Zij zoeken de geurbron, daarbij de richting kiezend
waarin de geurconcentratie steeds sterker wordt. Op die manier bereiken
zij een vrouwelijke soortgenoot, waarna de paring volgt. Hyena's en
dassen hebben een klier bij de anus waarmee zij hun territorium
afbakenen. Veel kuddedieren hebben geurklieren tussen de hoeven. Al
lopend maken zij een geurspoor.
Gebaren
Een bepaald gebaar kan een sleutelprikkel zijn die het gedrag van een
soortgenoot beïnvloedt.
Lorenz heeft deze gebaren bij honden nauwkeurig bestudeerd. Zij
hebben veel uitdrukkingsmogelijkheden in de bewegingen van oren, neus,
voorhoofdshuid, beharing en staart.
Een kat in gevaar pro beert de vijand te imponeren met een hoog
opgezette rug en een dikke staart.
Jonge vogels bedelen om voedsel door middel van sperren .
• Aangeleerd gedrag.
Bij instinctief handelen reageert een dier op
een voor de soort kenmerkende, erfelijk vastgelegde manier. Een dier kan
ook een bepaald gedrag vertonen dat niet te maken heeft met zijn
erfelijke aanleg. Dit gedrag is niet kenmerkend voor de soort, wel voor
het individu.
De dressuur van dieren berust op het aanleren van handelingen. Als
een dier een bepaalde handeling verricht, volgt er een beloning. Als
aan de opdracht niet wordt voldaan, volgt straf. Een hond die in de
huiskamer is en de brievenbus hoort kleppen en dan de krant gaat halen,
vertoont daarmee een bepaald aangeleerd gedrag. Dit gedrag is niet
genetisch bepaald. Het is kenmerkend voor het individu.
Door middel van aangeleerd gedrag kan men sommige huisdieren
zindelijk maken. Vissen in een aquarium komen naar de plaats waar wordt
gevoederd, ook als ze alleen maar een bewegende hand zien.