Natuurbeheer - Organismen die schade veroorzaken - Bestrijding van plagen (mechanische -, ecologische -, chemische - en biologische bestrijding) - naar overzicht Uitwonen van de aarde

    
- Belang natuurbeheer -
Natuurbeheer is het beleid dat regelt dat de mens zo weinig mogelijk de natuur verstoort. Natuurbeheer is ook voor de mens van belang, zoals uit onderstaande punten blijkt.
- Het plantendek beschermt de bodem tegen erosie, de oevers van waterwegen tegen beschadiging door het water, de berghellingen tegen lawines.
- De natuur vormt een studie gebied voor de biologie. De resultaten van die studie zijn van betekenis voor bijvoorbeeld landbouw, visserij, landwinning.
- De natuur levert producten zoals vlees, wol, hout en ook stoffen als penicilline en andere geneeskrachtige stoffen.
- Voor de veredeling van cultuurrassen, zowel planten als dieren, is het noodzakelijk deze te kruisen met in het wild levende soorten. Dit geldt bijvoorbeeld voor voedingsgewassen, sierteelt, geneeskrachtige kruiden, struiken, bomen, vee, huisdieren en vissen. Het is daarom nodig deze in het wild levende soorten te beschermen. Als een bepaalde soort is uitgestorven, is het genenmateriaal van die soort voorgoed voor de mens verloren.
- De in het wild levende dieren kunnen bij verstandige bejaging een voedselbron zijn en blijven. In Afrikaanse landen zijn dit bijvoorbeeld antilopen, buffels en zebra's.

Organismen die schade veroorzaken   
- Inleiding -

Per jaar gaat gemiddeld circa 10% van de opbrengst van veeteelt, akker- en tuinbouw door toedoen van organismen verloren. In de ontwikkelingslanden kan dit percentage nog veel hoger zijn. Larven van kevers, vliegen en nachtvlinders richten elk jaar grote schade aan bij de akker- en bosbouw (bladluizen; dennenscheerder - een soort schorskever die op dennen leeft).
Bepaalde bladluizen brengen een virus over waardoor de suikerbiet geel wordt; een bepaald soort kever brengt de iepziekte over.
Sommige bladluizen remmen de groei van plantedelen.
De schade die jaarlijks wordt aangericht door knaagdieren, zoals muizen, ratten en konijnen, is zeer groot. Ze brengen niet alleen schade toe aan de oogst, maar ook aan duinen en dijken.
Bovenstaande lijst
je van voorbeelden is nog aanzienlijk langer te maken. Insecten zijn niet alleen gevaarlijk voor planten en dieren. Sommige insecten brengen ook ziektekiemen op de mens over: vlektyfus (vlo en luis), pest (vlo), gele koorts (vlieg), malaria (mug), slaapziekte (tseetseevlieg), dysenterie (vlieg).

- Plagen -
Wanneer bepaalde organismen zich zo sterk vermeerderen dat het voortbestaan van andere soorten organismen in dat gebied wordt bedreigd of verhinderd, heerst er een plaag.
De meeste dieren plagen worden veroorzaakt door insecten. Bij varkens en pluimvee kunnen luizenplagen optreden en runderen, schapen en paarden lijden soms onder een horzelplaag. Ook knaagdieren kunnen, mede door hun snelle voortplanting, tot een plaag worden. In Engeland vormden houtduiven een plaag. Andere veroorzakers van plagen zijn spreeuwen en regenwormen.
Ook planten kunnen een plaag veroorzaken. De Amerikaanse vogelkers is in de Nederlandse bossen op de zandgronden massaal aangeplant. Doordat de vogels de vruchten eten en zo de zaden verspreiden, heeft deze plant zich aanzienlijk uitgebreid. De vogelkers groeit nu vaak op ongewenste plaatsen. Onder de struik willen geen andere planten groeien en men noemt de vogelkers dan ook wel 'bospest'
.
Knopkruid, ook wel akkerpest genoemd, is afkomstig uit Zuid-Amerika. Omstreeks 1860 is het plantje in ons land terechtgekomen. Aan de vruchten zitten droge schubben, waardoor deze vruchten gemakkelijk aan de kleren van mensen of de vacht van dieren blijven hangen en aldus worden verspreid. Het plantje vond hier een gunstig milieu. Het zaad is zeer kiemkrachtig; bovendien groeien er per jaar minstens twee generaties. Het plantje komt overal voor, op velden, langs wegen, in tuinen, langs spoorbanen. Het dringt zelfs door in de kassen van kwekers.

• Het ontstaan van plagen •
In een levensgemeenschap heerst een biologisch evenwicht zolang er geen invloeden van buitenaf doordringen. Als dit evenwicht wordt verstoord, dan kan er een plaag ontstaan.
- Door het importeren van nieuwe planten of dieren die in hun 'nieuwe vaderland' een gunstig milieu vinden en er geen natuurlijke vijanden aantreffen. Dit geldt voor planten als waterpest, bospest en akkerpest en voor dieren als muskusrat, wolhandkrab, coloradokever, het konijn in Australië.
De muskusrat is afkomstig uit Canada. Hij brengt schade toe aan onze dijken door daarin zijn gangen en nesten te graven. Het water krijgt vrij spel, hetgeen grote schade aan de dijken tot gevolg heeft.
De wolhandkrab (de poten zijn wollig behaard), uit China afkomstig, brengt schade toe aan de visstand en aan visnetten en ondergraaft bovendien dijken.
De coloradokever komt uit Zuid-Amerika en is later in Noord-Amerika ingevoerd. Daar leefde de kever op de aardappelplant. Met scheepsladingen aardappels bereikte de coloradokever Europa. Daar ontstond al snel een plaag van coloradokevers.
- Door monoculturen (mono = één). Grote oppervlakten cultuurgrond zijn dan beplant met één gewas, bijvoorbeeld aardappelen, tarwe, suikerbieten of dennenbomen. Een dier dat dat gewas als voedsel nodig heeft, vindt op gronden met monoculturen een overvloed aan voedsel. Dit kan een grote uitbreiding van het aantal dieren tot gevolg hebben: er ontstaat een plaag.
- Door het verdwijnen van natuur
lijke vijanden kunnen sommige diersoorten zich enorm vermenigvuldigen. Nu in ons land de boommarter zeldzaam is geworden, neemt de eekhoornpopulatie toe. Soms moet de mens door afschot het aantal weer tot normale proporties terugbrengen. Een eekhoornplaag vormt namelijk een bedreiging voor de zangvogelpopulaties.
Doordat in ons land de natuurlijke vijanden van de vos (wolf, lynx) ontbreken, neemt het aantal vossen te sterk toe. Door jacht moet regelend worden opgetreden.
- Door verandering van het
milieu. Na afsluiting van zeegaten verandert het zoute water langzamerhand in zoet water. De dieren die in het zoute water leefden, gaan op een gegeven moment allemaal dood. Nieuwe populaties van zoetwaterdieren zijn er nog niet. De eerste 'bewoners' van zo'n nieuw zoetwatergebied zijn de larven van muggen die geen enkele vijand hebben. Als het water overal ongeveer even diep is en daardoor overal een zelfde temperatuurverloop heeft, zullen de muggenlarven allemaal op ongeveer hetzelfde tijdstip uitkomen. Er is dan sprake van een plaag. Zulke plagen zijn opgetreden bij de afsluiting van de Zuiderzee en later bij de Deltawerken. De al eerder genoemde algenbloei als gevolg van fosfaten, eerst in de binnenwateren, later ook in de Noordzee, Waddenzee en Oostzee, is een duidelijk voorbeeld hoe door het optreden van de mens het milieu verandert, waardoor een plaag ontstaat.

- De bestrijding van Plagen -

Mechanische bestrijding
Om een sprinkhanenplaag te bestrijden, gebruikt men bijvoorbeeld vlammenwerpers. In naaldbossen wordt mechanische bestrijding toegepast op schorskevers zoals
letterzetter en dennenscheerder.
Deze kevers leggen hun eieren onder de schors van zieke of aangetaste naaldbomen. De larven vreten daar hun gangen. Men laat gevelde stammen liggen om kevers te lokken. Later worden de 'vangbomen' van hun schors ontdaan of verbrand. De larven die onder de schors zitten, gaan dood. Alle andere gevelde bomen worden direct van hun schors ontdaan.

Eco
logische bestrijding
Bij deze methode verandert men een ecosysteem zodanig, dat het milieu voor het betreffende insect ongeschikt wordt. De larve van de malariamug leeft in poelen en in plassen met stilstaand water. Dit dier, dat door zijn steek de mens malaria kan bezorgen, wordt bestreden door die poel droog te leggen of
te overdekken met een dunne laag olie, waardoor de larven stikken.

Chemische bestrijding
Deze methode wordt veel toegepast. Men gebruikt giftige chemische stoffen: onkruidverdelgingsmiddelen en insectenbestrijdingsmiddelen.
 Deze middelen werken heel doeltreffend. Zo is na de Tweede Wereldoorlog met behulp van DDT de coloradokever met succes bestreden.



Deze methode heeft echter grote nadelen.
-
Chemische bestrijdingsmiddelen zijn weinig selectief. Dit betekent dat niet alleen het te bestrijden insect wordt gedood, maar ook veel andere soorten, waaronder voor de mens zeer nuttige, zoals het Lieve­heersbeestje (bladluizenverdelger) en sluipwespen (natuurlijke vijanden van vele soorten schadelijke insecten).
- Er ontstaan resistente populaties. Dit zijn insectenpopulaties die door mutatie(s) ongevoelig zijn voor een bepaald insecticide (insectenverdelgingsmiddel). Deze resistentie is erfelijk en voor een bestrijding in de toekomst moet men gebruik maken van een ander bestrijdingsmiddel.
- Insecticiden zijn ook bijna altijd gevaarlijk voor gewervelde dieren en dus ook voor de mens. Parathion en malathion (beide fosforbevattend) hebben al heel wat slachtoffers gemaakt zowel onder dieren als onder mensen.
- De meeste verdelgingsmiddelen kunnen niet op een natuurlijke manier worden afgebroken. Dat betekent dat zulke stoffen jarenlang in lucht, water of bodem werkzaam blijven en slachtoffers blijven maken.

Levende organismen die bepaalde verdelgingsmiddelen, ook wel biociden genaamd, naar binnen krijgen, raken deze niet meer kwijt, maar slaan ze op in het vetweefsel.
Pinguïns hebben DDT in het lichaam, moedermelk bevat kwik, parathion en DDT. In Nederland is het gebruik van DDT verboden
, in ontwikkelingslanden helaas niet.
De sterke vermindering van het aantal roofvogels (stootvogels) is een alarmsignaal voor het feit dat er te veel vergif in de natuur aanwezig is. Insecten, dood of levend, bevatten biociden. Veldmuizen eten insecten. De hoeveelheid vergif in het lichaam van een muis wordt steeds groter. Torenvalken eten veldmuizen. Bij een voedselketen waarin de torenvalk de laatste schakel vormt, komt het vergif uiteindelijk in het lichaam van de torenvalk terecht. Als de dodelijke dosis is bereikt, sterft de vogel.
Ook bij roofvogels wordt het vergif opgeslagen in vetweefsel. Als in de winter het voedsel schaars is, gaat de vogel interen op zijn vet. Als er lichaamsvet wordt verbruikt, komt het erin opgeslagen gifvrij. Ook daardoor kan de dodelijke dosis worden bereikt.
In de jaren zestig nam het aantal roofvogels in Nederland (en in heel West-Europa) sterk af. Er bleef maar 10% over van het totaal aantal roofvogels. Dit was een duidelijke waarschuwing dat er teveel biociden werden gebruikt. Een verstandiger gebruik van deze stoffen heeft ertoe geleid dat in het begin van de jaren tachtig het aantal roofvogels duidelijk is toegenomen.

Bi
logische bestrijding
Deze methode maakt gebruik van de natuurlijke vijanden van de dieren die een plaag zouden kunnen veroorzaken.
Bezwaren van deze methode zijn dat een eenmaal uitgebroken plaag er niet mee kan worden bestreden en dat er soms erg veel tijd nodig is om uit te zoeken welke natuur­lijke vijand kan worden gebruikt. Om daar achter te komen, moeten de levensgewoonten van de schadeverwekker worden
bestudeerd. Vervolgens moet worden bekeken welke natuurlijke vijand goed is te fokken en vervolgens nog hoe deze in contact moet worden gebracht met de dieren die men wil bestrijden.

Het is een omslachtige methode, maar als het lukt, zijn de resultaten verbluffend.
Er wordt veel gebruik gemaakt van sluipwespen en graafwespen. Sluipwespen zijn de natuurlijke vijanden van de rupsen van nachtuilen en spanrupsen, maar ook van bladluizen en kevers. Van de twee geslachten graafwespen jaagt de ene op kleine vliegjes terwijl de andere rupsen vangt. Van de sluipwespen en de graafwespen samen zijn meer dan 16000 soorten bekend. Bijna elke insectensoort heeft een bepaalde sluipwesp of graafwesp als natuurlijke vijand. Deze legt zijn eieren in één van de vier ontwikkelingsstadia van de gastheer, dus op of in het ei, de larve, de pop of het volwassen dier.
De koo
lrupssluipwesp legt eieren in het lichaam van jonge rupsen van het koolwitje. De wespenlarven eten van de vetreserve van de rups. Ze laten de belangrijke organen van de rups onaangeroerd. Even voordat de rups gaat verpoppen, vreten de parasieten zich door de huid van de rups naar buiten. De rups gaat dood. De larven van de sluipwesp spinnen een gele cocon, waarbinnen zij verpoppen.

ReuzensluipwespDe reuzens
luipwesp  is in staat de diep in het hout knagende larven van de houtwesp op te merken. Het sluipwespwijfje boort haar legboor dwars door het hout, soms wel 6 cm diep. De punt van de legboor komt precies terecht in de larve van de houtwesp. Daarna legt het wijfje via de legboor een ei in het lichaam van de houtwesplarve.
De graafwesp heeft een gifangel. Een steek hiervan verlamt de rups. Deze rups wordt naar een van tevoren klaar gemaakt hol gesleept en daar naar binnen getrokken. Op de verlamde rups wordt nu een ei gelegd. Daarna wordt het hol met zand en steentjes afgesloten. De graafwesp gaat weer op zoek naar nieuwe slachtoffers. De sluipwesplarven vreten de verlamde, maar nog steeds levende rups op.
Er zijn graafwespensoorten waarbij het wijfje net wanneer de eerste rups 'op is', met een nieuwe rups aankomt, het hol opent en de nieuwe vleesvoorraad in het hol bezorgt. Hetzelfde wordt gedaan door graafwespen die hun nakomelingen voeden met vliegjes. Na de aflevering van het voedsel wordt het hol weer dichtgemaakt.
Er zijn mogelijkheden ontdekt om door middel van bestraling mannetjes van een bepaald schadelijk insect te steriliseren. Als nu miljoenen van dergelijke mannetjes, afkomstig uit insectenkwekerijen, boven een bedreigd gebied worden vrijgelaten, is het gevolg dat de wijfjes grotendeels onbevruchte eieren produceren. Deze methode heeft na enige tijd resultaat.
Het is ook mogelijk om insecten naar een bepaalde plaats te lokken door het gebruik van geurstoffen of door geluiden. Op die plaats bevindt zich dan een installatie die de insecten doodt, bijvoorbeeld door middel van elektriciteit.
Men kan geurstoffen waarmee geslachtsrijpe vrouwtjes mannetjes lokken, namaken.
Men lokt en vangt de mannetjes. De vrouwtjes worden niet bevrucht en de voortplanting van die soort wordt sterk beperkt.
Biologische bestrijding is voor het milieu veel beter dan chemische bestrijding. Biologische bestrijding wordt hoe langer hoe meer toegepast.

Harmonische bestrijding
Bij harmonische bestrijding combineert men de vier bestrijdingsmethoden en gebruikt men een bepaalde methode al naar gelang de omstandigheden.
Er wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van natuurlijke vijanden, zo nodig aangevuld met chemische middelen. Men probeert met die middelen dan alleen die organismen te doden die men wil bestrijden en men gebruikt zoveel mogelijk middelen die afbreekbaar zijn en dus weer uit het milieu verdwijnen.
De biologische bestrijding van appel bloedluis wordt in Nederland ondersteund met een lichte bespuiting met een insecticide.

  **Naar Relaties en Gedrag, naar overzicht Mediterrane Flora en Fauna
  ** Via Hotels/Appartementen/Wereldwijd kunt u goed zoeken naar een accommodatie in 102 landen.