|
A Naar alf. overzicht Aanbidding van het lam, zie Apocalyptisch lam Aanbieding in de tempel, het bezoek van Maria met het kind Jezus aan de tempel. De gebeurtenis gaat terug op een joods gebruik om het eerstgeboren kind veertig dagen na zijn geboorte aan te bieden aan Jahwe en het door een offerdaad vrij te maken van tempeldienst. Bij deze gebeurtenis herkent Simeon, de grijze priester, Jezus als de beloofde verlosser. Vanaf de 8e-9e eeuw ontwikkelt zich in West-Europa een beeldtype dat deze lofprijzing en de eigenlijke 'aanbieding' mengt: Maria geeft het kind over een altaar heen aan Simeon. Als nevenfiguren verschijnen vaak Jozef en de profetes Hanna. Aankondiging, annunciatie, benaming voor de boodschap, de aankondiging van Christus geboorte, die de engel Gabriël aan Maria bracht. Aanzetplaat, plaat tussen zuil of pijler en de aanzet van een boog; vaak in combinatie met een kapiteel Aartsabt,
hoofd van meerdere abdijen, maar wel zodanig dat de bevoegdheden van
de afzonderlijke kloosters niet wordt aangetast. |
| Abacus,
Lat. plaat, bovenste deel van het kapiteel in de vorm van een
vierkante dekplaat waarop het gewicht van het tafelment of
entablement rust. Abbasiden: tweede dynastie van islamitische kaliefen, die van 750 tot 1258 n.C. vanuit Bagdad over hun rijk heersten. Abdij, een zelfstandig klooster van een grotere, oudere orde, voor mannen of voor vrouwen, bestuurd door een abt of abdis apsis Academie, Lat. 'academia'; Gr. 'akademia', instelling: institutie of vereniging ter bevordering van studie en vorming in de kunsten of de wetenschappen. De eerste belangrijke academies ontstaan in navolging van de antieke scholen tijdens de Renaissance in Italië en daarna in heel Europa. Het woord gaat wellicht terug op een woud bij Athene met voorzieningen voor gymnastische oefeningen, dat gewijd was aan de Attische held Akademos. Plato noemt de door hem opgerichte filosofenschool, 387 v.Chr., naar zijn lievelingsplaats. Acanthus, Gr. Acantha, distel, grote en distelachtige Middellandse-Zeeplant waarvan de aan het uiteinde opgerolde bladeren al in de Oudheid dienden als voorbeeld voor decoratieve elementen, vooral in Korinthische en laat-Romeinse kapitalen. Gedurende de Renaissance en de Barok werd het ornament zowel in bouwkunst als kunstnijverheid weer gebruikt. Achaeërs, naam die Homerus het Griekse volk gaf dat rond 1600 het gebied van Peloponnesos binnendrong en waaruit later de Myceense beschaving ontstond. Achaemeniden, dynastie van Perzische koningen die van de legendarische Achaemenes afstammen. Cyrus 11, 557-529 v.Chr., stichtte het Perzische Rijk, dat tot 330 v.Chr., heerser was over een gebied van de grenzen van India tot Egypte en Klein-Azië. Acroterie, Gr. hoogste, buitenste deel; versiering van gevelhoeken en -toppen met reliëfs. Actium, Slag van: in de Slag van Actium aan de westkust van Griekenland in 31 v.C. versloeg Octavianus, de latere keizer Augustus, de gezamenlijke vloot van Marcus Antonius en Cleopatra. De slag leidde tot de annexatie van Egypte en de alleenheerschappij van Augustus.Adyton, geheime ruimte van een tempel, alleen voor priesters toegankelijk. Aedicula, Lat. klein huis, tempeltje; een nis of aanbouw voor een beeld in een Romeinse tempel; in de Middeleeuwen ook de benaming voor een kleine (graf)kapel. In de bouwkunst wordt onder aedicula de ombouw van een nis verstaan, bestaande uit steundelen (pilaren, zuilen, pilasters) en een puntgevel. Sinds de Renaissance worden grafmonumenten en vooral altaars opgebouwd als aedicula. Aeolisch kapiteel, archaïsch Grieks kapiteel met twee verticaal uitstekende krullen die door een palmet van elkaar zijn gescheiden. Aflaat, Lat. 'indulgentia', toegevendheid: in de rooms-katholieke kerk de vermindering van straffen voor zonden, voortgekomen uit de boetepraktijk van de 10e eeuw. De aanvankelijke functie van de aflaat verliest in de late Middeleeuwen steeds meer aan betekenis. In het begin van de 16e eeuw vormt de verkoop van aflaatbrieven een belangrijke bron van inkomsten voor de Kerk. Deze 'handel' is de inzet van de aflaatstrijd, vanaf 1517, tussen Martin Luther, 1483-1546,en aartsbisschop Albrecht van Mainz en geeft de beslissende aanstoot tot de Reformatie, 1517-1648. Agora,
openbaar plein in de Griekse stad waar de bijeenkomsten van
stemgerechtigde burgers plaatsvonden. Gaf het politieke centrum van
de stad aan. |
|
Akropolis, bovenstad in de Griekse steden waar zich het politieke, godsdienstige en militaire leven concentreerde en waar later vaak alleen de heiligdommen van de gemeenschap overbleven. Akroterion, Gr. uiterste, vooruitstekende: voorstelling van figuren of decoratieve opbouw op de hoek van de timpaan of de nok van gebouwen (tempels) of grafstenen. Albasten kamer, It. Camerino d'Alabastro, de studeerkamer van hertog Alfonso I d'Este in zijn paleis in Ferrara. Het oorspronkelijke decor is niet bewaard gebleven, dus kunnen we slechts gissen waarom deze kamer zo heette. Hier bewaarde hij zijn schilderijen van Giovanni Bellini, Titiaan en Dosso Dossi. |
|
Albigenzen, de meest hecht georganiseerde groep binnen de
religieuze sekte van de Katharen, 12de-14de eeuw, verbreid
over Zuid-Frankrijk en Noord-Italië en genoemd naar een van hun
centra: Albi,
in de Languedoc. Tegen hen werden door de christenheid, op last van
Rome, verscheidene bloedige kruistochten ondernomen, o.l.v. Simon de
Montfort. Alcázar (Arab.), in Spanje gebruikte aanduiding voor een weerbaar slot, meestal een gesloten viervleugelbouwwerk Alexandrijnse kunst: stroming in de hellenistische kunst die ontstaan was in Alexandrië, in de Oudheid een van de centra van de Grieks-hellenistische cultuur. Er is geen algehele omschrijving van de stroming of een ontwikkeling van de stijl te geven; er zijn echter wel enkele gemeenschappelijke kenmerken. Zo worden in de beeldhouwkunst ronde vormen gebruikt en hebben de gewaden een groot aantal plooien. Al fresco, It. op het natte, zie fresco.
Al secco, It., op het droge, zie
fresco. Alkoof, Sp. Alcoba:
slaapvertrek; Ar. al-quobbah, vertrek, gewelf; in de Moorse en
Arabische bouwkunst is de alkoof een gewelfde slaapnis, in de
Europese een kleine zijkamer zonder ramen waarin een bed staat. Alla prima, It. bij de eerste keer/ meteen, direct op de ondergrond schilderen, zonder grondering en zonder lazuur. Allegorie, Gr. allegorein: anders uitdrukken, het beeldend aanschouwelijk maken van abstracte begrippen en samenhangen in beeldende kunst en literatuur, vaak voorgesteld als menselijke figuur, personificatie, of als tafereel. Naast de christelijk-morele allegorie uit de middeleeuwen ontwikkelt zich in de Renaissance met name in Italië de aan antieke teksten ontleende mythologische allegorie. In de barokke schilderkunst neemt de politiek georiënteerde allegorie, voornamelijk dankzij Rubens, een hoge vlucht. Allerheiligenbeeld, weergave van de aanbidding van het lam als symbool van Christus door de scharen der heiligen, die zijn omgeven door patriarchen, profeten en vertegenwoordigers van alle stammen, naties en talen. Het beeldtype gaat terug op bepaalde teksten in de Openbaring van Johannes, het laatste boek van het Nieuwe Testament, en op het Allerheiligenfeest, dat door paus Gregorius IV, † 844, en keizer Lodewijk de Vrome, 778-840, in de 9e eeuw definitief werd ingevoerd op 1 november. Almoraviden: islamitische dynastie in het Moorse Spanje en Noord-Afrika. In Spanje regeerde zij van 1036 tot 1147, in 1062 werd Marokko veroverd. Al secco, It. op het droge, procédé van muurschilderen waarbij de verf op de droge kalk wordt opgebracht; dit in tegenstelling tot het schilderen van fresco's. Altaar, Lat. altaria, alta
ara: hoge offertafel, een aan een god gewijde, verhoogde overplaats,
middelpunt van godsdienstige handelingen. In de Griekse en Romeinse
Oudheid werd het hoofdaltaar voor of naast de tempel opgericht. Het
christelijke altaar, dat sinds de 3e eeuw dienst doet als plaats van
gebed en offerande, staat sinds de Middeleeuwen in de kerk op een
vaste plaats in de apsis Altaarblad, altaarstuk in het middendeel van een retabel, vaak met architectonische opbouw en omgeven door stenen en houten figuren. Altaargerei, alle heilige en liturgische houders en rekwisieten die nodig zijn bij de godsdienstige handelingen. Altaaropbouw, zie altaarretabel. Altaarpaneel, Lat. 'altare', offertafel en tafel, bord: zie Altaarstuk Altaarretabel, de achtermuur van een altaar; deze is met het blad verbonden en is versierd met sculptuur of schilderingen. Van de 14e tot de 16e eeuw was het maken van altaarretabels een van de belangrijkste taken in de Europese kunst. Daar vonden de belangrijkste ontwikkelingen in schilderkunst en beeldhouwkunst plaats. Altaarstuk, een schilderij of beeldhouwwerk dat op een altaar staat of er achter is opgesteld. Veel altaarstukken waren heel eenvoudig, een paneelschilderij, maar sommige waren enorme, complexe werken en combineerden schilderkunst en beeldhouwkunst binnen een bewerkte lijst. Van de 14e tot de 16e eeuw vormde het altaarstuk een van de belangrijkste categorieën in de Italiaanse kunst. Alternerend stelsel, ook Stützenwechsel genoemd, de in Romaanse basilieken en vroeggotische kerken vaak toegepaste afwisseling van pijlers en zuilen, met een tweeledig doel: a. constructief, zuilen alléén zou te zwak zijn, b. esthetisch, ritmische afwisseling. Amarna, Tell el-Amarna, Egyptisch AchetAton: hoofdstad van Egypte tijdens farao Amenhotep, ook Amenophis, IV, bekend als Achnaton of Echnaton, 1350-1334 v.C.. In 1885 n.C. werd hier het grote koninklijk archief ontdekt waarin zich een groot aantal kleitabletten met spijkerschrift bevond. Deze hadden betrekking op de diplomatieke correspondentie tussen het hof van de farao en de belangrijkste staten van het MiddenOosten. Amazonomachie, gevecht waaraan Amazones deelnamen; barbaarse krijgshaftige vrouwen uit de Oudheid die paardreden en gewapend waren met boog en degen. Ambo, Gr. ambon, verhoging, van ambainein, anabainein, opstijgen; via één of tweetrappen te bestijgen podium met lezenaar in vroegchristelijke en vroegmiddeleeuwse basilieken, bestemd voor het voorlezen van de brieven der apostelen en het evangelie. De vóór het koorbek geplaatste stenen ambo is voorzien van een rechte, gebogen of polygonale borstwering. Als er twee ambo's zijn, dan is de noordelijke, de evangelie-ambo, meestal rijker gedecoreerd en uitgerust met twee trappen en een paaskandelaar. De kleinere zuidelijke ambo wordt epistel-ambo genoemd. In de 14de eeuw werden de ambo's geïntroduceerd in het oksaal, de verhoogde afsluiting tussen koor en schip, of vervangen door een preekstoel. Amfiprostyle, soort tempel waarvan de gevels van de voor- en achterkant twee rijen zuilen bevatten. Amfitheater, Gr. amphitheatron, van amphi, aan beide zijden, om ... heen, en theatron, schouwplaats; Romeinse vorm van het openluchttheater met een ovale plattegrond en oplopende rijen zitplaatsen, voornamelijk voor dierenspektakels en gladiatorengevechten. Ammon, Ammonitis: het hedendaagse Amman in Jordanië, het gebied van de Ammonieten, een Semitisch volk.
Amoeriten: Semitisch
nomadenvolk dat aan het einde van het derde en het begin van het
tweede millennium v.C. vanuit het huidige Syrië Mesopotamië
binnentrok en daar in 1894 v.C. de eerste dynastie van Babylon
vestigde.
Anachoreten:
benaming voor de kluizenaars of heremieten, alleen wonende asceten
tijdens het vroege en het Byzantijnse christendom, die ook wel in
gesloten anachoretengemeenschappen samenwoonden. Anamorfose, naar Gr. 'anamorphosis', omvorming, nieuwe vorming: een in de 16e eeuw vooral in de schilderkunst en grafiek toegepaste techniek waarbij een figuur of object niet evenwijdig aan het beeldoppervlak wordt geprojecteerd, maar in een bepaalde hoek daarmee. De daaruit resulterende optische vormvertekening wordt voor de beschouwer pas tenietgedaan door het weergegeven onderwerp vanuit een schuine hoek te bekijken. Androgynie, Gr. 'androgynos', genitief van 'aner', man, en 'gyne', vrouw: tweeslachtigheid, lichamelijk-geestelijke mengvorm van beide geslachten. Ankersteen: een bijzonder gevormde steen om muurdelen aan elkaar te verankeren. Antropomorf, naar menselijke maatstaf vormgegeven Anaktoron, gewijd gebouwtje waarin cultusbeelden staan. Anastasis, Gr. herrijzenis, ook de hellevaart van Christus, het afdalen van Christus naar het Limbo, voorhel, waar de zielen zitten die noch in de hemel, noch in de hel zijn. Christus vernielt de poort naar de hel en haalt de uitverkoren zielen naar het licht. Deze apocriefe vertelling wordt vooral in de Byzantijnse schilderkunst afgebeeld. Anastylose, onderneming waarbij een antiek gebouw met behulp van het merendeel van de teruggevonden elementen wordt herbouwd. Anatomie, Gr. anatemnein: opensnijden, onder verwijzing naar antieke geneeskundige verhandelingen kreeg het ontleden van dode wezens in de Renaissance een bijzondere betekenis. Het doel van de menselijke anatomie was het opdoen van natuurwetenschappelijke kennis. In de Oudheid bestond alleen de anatomie van dieren. Anatomische kennis werd de basis voor de kunstopleiding. Belangrijke impulsen daarvoor kwamen uit de kunst zelf. Pollaiuolo, Michelangelo en Leonardo onderzochten de proporties en verdelingen en de bewegingen van het menselijke lichaam. Anna-te-drieën, een beeldmotief dat in het kielzog van de laatmiddeleeuwse Anna-cultus opkomt; het heeft de weergave van de Heilige Anna, haar dochter, de maagd Maria, en de Christus knaap tot voorwerp. Ante, in antis, een ante is een vierkante zuil die een muur afsluit. De Latijnse uitdrukking in antis -wat zoveel betekent als tussen de anten- wordt gebruikt voor zuilen die tussen twee antenmuren staan. Antependium, van Lat. ante, voor en pendere, hangen; oorspronkelijk een van het altaar omlaag hangende draperie van kostbare en rijkversierde stoffen, beschilderd linnen, leer en dergelijke. Later de aanduiding voor elke vorm van bekleding van het altaar, van textiel, metaal of hout. Anteporticus, ook propylon, portaal voor de ingang tot het atrium van een vroegchristelijke basiliek. |
|
Antichrist, volgens de christelijke leer de laatste grote vijand van Christus die in de laatste dagen voor het einde van de wereld zal verschijnen. Antiek, Fr. antique, Lat. antiquus, oud; betrekking hebbend op de Grieks-Romeinse Oudheid. Deze begint met de komst van Indo-europees sprekende stammen naar Griekenland in het 2de millennium v.C. en eindigt in het westen in 476 n.C. met de verdrijving van de Romeinse keizer Romulus Augustulus door de Goten en in het Oosten in 529 n.C. met de sluiting van de Academie van Plato door keizer Justinianus, 482-565 n.C.. Antieke tijd, Lat. antiquus: oud, de Grieks-Romeinse Oudheid, de klassieke tijd, begint met de vroeg-Griekse immigratie in de 9e eeuw v.Chr. en eindigt in het westen in 476 met de afzetting van de Romeinse keizer Romulus Augustulus en in het oosten in 529 met de sluiting van de platoonse academie door keizer Justianus. Antiek muurwerk, met gebruikmaking van mortel samengevoegde natuurstenen of bakstenen. In de Romeinse tijd bestonden er verschillende technieken, opus. De vroegste techniek is het opus incertum, waarbij de mortel tussen twee muurschalen van kleine, onregelmatig gevormde stenen van ongeveer gelijke grootte werd gegoten. Vanaf het einde van de 2de eeuw v.C. kwam het opus reticulatum op, waarbij de in piramidevorm gehakte stenen met hun vierkante zijden een rooster vormden. In de Augusteïsche tijd en later onder Trajanus en Hadrianus was het opus mixtum populair. Hierbij worden lagen kleine natuurstenen afgewisseld met bakstenen. Sinds de tijd van Nero werd ook het opus testaceum toegepast, metselwerk bestaande uit gebakken baksteen. Door de toepassing van gietwerk (emplecton), waarbij een mengsel van mortel en puin tussen twee losstaande muren van natuursteen werd gegoten, kon men koepels en gewelven houwen. Apadana, troonzaal van de Achaemenidische paleizen, die over het algemeen talrijke zuilen omvatten, hypostyle ruimte. Apelles, ca. 330 v.Chr.: Griekse schilder. Enkele van zijn slechts literair overgeleverde schildercomposities worden bij wijze van proef door de renaissanceschilders gereconstrueerd. Apocalyps, Gr. apokalyptein, onthullen, openbaren; openbaring, in het algemeen een openbaring van verborgen dingen over het verloop en het eind van de geen op historisch, kunstgeschiedenis, al dan niet rechtstreeks door God kenbaar gemaakt en op profetische en visionaire manier onder woorden gebracht doorjoodse en vroegchristelijke, meestal onbekende, auteurs. Apocalyps van Johannes, naar Gr. 'apokalyptein', onthullen, openbaren: ook Openbaring van Johannes, het laatste boek van het Nieuwe Testament. In drie visioenen, natuurrampen, de strijd tussen kwade en goede machten en de eenheid van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde in het hemelse Jeruzalem, wordt het strafgericht over de aarde weergegeven. De aankondiging van de terugkeer van Christus moet de christenen, die onder vervolging lijden, troosten en tegelijk voorbereiden op de daarmee samenhangende gruwelen. Apocalyptisch lam, naar Gr. 'apokalyptein', onthullen, openbaren: lam met zeven ogen en zeven hoorns in de Openbaring van Johannes (5,6); in dit Bijbelboek worden de ondergang van de wereld en de terugkeer van Christus beschreven. Vanaf de 2e eeuw is het lam in de christelijke religie het symbool voor de zoon van God. Het 'artistieke' lam krijgt van de kunstenaars zelden meer dan twee ogen en hoorns. De aanbidding van het lam is een veelvoorkomend motief van de Apocalyps, dat op verschillende manieren wordt weergegeven. Het meestal in een mandorla verschijnende lam is omgeven door de symbolen van de evangelisten en de 24 oudsten of door een grote mensenmassa, terwijl het lam in laatmiddeleeuwse taferelen aan de voeten van de tronende God zit. Maar het lam wordt ook wel geschilderd op de berg Zion, met de scharen der uitverkorenen; van de berg stromen de vier paradijsrivieren naar beneden. Apocalyptische ruiter, naar Gr. 'apokalyptein', onthullen, openbaren: een van de vier ruiters in de Openbaring van Johannes (6: 2-8). De ruiters belichamen het ongeluk dat over de mensen uitbreekt, zoals pest, oorlog, hongersnood en dood. Hun attributen zijn boog, zwaard en weegschaal. In beeldende kunstwerken wordt de eerste ruiter door een aureool soms geïdentificeerd als Christus. De kleur van zijn paard is wit, die van de andere paarden rood, zwart en geelbruin. Apocriefen, Gr. verborgen dingen; in de Hellenistische tijd geheime, van publicatie uitgesloten boeken met geheime leer. Joodse of christelijke geschriften naast het Oude of Nieuwe Testament die niet zijn geaccepteerd als deel van de Bijbel, maar nog steeds worden gelezen als heilige geschriften. Apollo, Grieks-Romeinse god, zoon van Jupiter en Latona, tweelingbroer van Diana. Hij is god van de voorspelling, de muziek en de kunsten en heer van de muzen, Apollo Musagetes, het licht en de zon, Phoibos Apollon. Hij belichaamt al eeuwenlang het schoonheidsideaal van de Oudheid. Apologeten, Gr.-Neolat., een groep Griekse, christelijke schrijvers uit de tweede eeuw n.C. Ook wel gebruikt als aanduidingvoor mensen die een bepaalde opvatting met nadruk verbreiden en verdedigen Apostel, Gr. apostolos, zendeling, voorvechter; een van de twaalf discipelen van Jezus, door Hemzelf uit de grote schare van zijn aanhangers gekozen om zijn werk voort te zetten en het evangelie te verkondigen. Apotheose, Gr. apotheoun, vergoddelijken, verlichten; vergoddelijking, de opname van een sterveling in de wereld van het goddelijke. Apotropaeïsch, onheil afwerend Appartement, rij achter elkaar liggende kamers in slotbouw en burgerlijke woningbouw Appartement double (Fr.), dubbele rij achter elkaar liggende kamers Apsis, Gr. hapsis, verbinding, ronding, welving; een op een halfronde of veelhoekige plattegrond gebouwde en met een halfkoepel overwelfde nis, waarin een altaar kan staan. Een apsisgewelf in de vorm van een bolkap wordt aangeduid als apsiskalot. De in het verlengde van de hoofdruimte van de kerk gebouwde of aan het aan geestelijken voorbehouden koor grenzende apsis wordt ook wel exedra of koorhoofd genoemd. Kleinere apsissen zijn vaak te vinden aan de kooromgang en aan het dwarsschip of de zijbeuken. Arameeërs, ook Arameeën: naam van een Semitisch volk dat aan het einde van het tweede millennium v.C. in Syrië en op de andere oever van de Eufraat in Mesopotamië gevestigd was. Aquaduct, Lat. aquaeductus, waterleiding, van aqua, water, en ducere, voeren, leiden; waterleidingssysteem, door de Romeinen sedert de 4de eeuw v.C. ontwikkeld, speciaal de bouwkundig constructies ter overspanning van niveauverschillen. Aquarelschilderkunst, It. 'acquarello', waterverf; naar Lat. 'aqua', water: verf techniek met niet-dekkende waterverven. De pigmenten (verfpoeders) worden met bindmiddel, zoals Arabische gom (een sterk klevende afscheiding van de Afrikaanse acacia's), gemengd en daarna met water aangebracht (de kleuren blijven ook na het drogen oplosbaar in water). Wezenlijke kenmerken zijn het afzien van tekening en lijnen en het gebruik van de schilderondergrond als zelfstandige vorm. Arabesk, Fr. 'arabesque'; naar It. 'arabesco', Arabisch: een oorspronkelijk antiek, maar in de Italiaanse Renaissance weer opgenomen ornament dat bestaat uit gestileerd blad- en rankenwerk, vaak ook met koppen, maskers of figuren. Arboretum, verzameling van uitgelezen bomen en struiken voor wetenschappelijke doeleinden, meestal in de vorm van een afzonderlijk tuingedeelte van het park Arcade, boog boven zuilen of pijlers, ook serie bogen. Arcade,
Lat. arcus, boog, een serie bogen gesteund door zuilen, penanten of
pilaren. In een blinde arcade zijn de bogen in een muur gebouwd. Arcering, in een tekening, prent of schilderij een serie dicht bij elkaar gezette parallelle lijnen die een schaduweffect creëren. In kruisarcering kruisen de lijnen elkaar. Architectonisch, Gr. arkhitektonikos, architecturaal, betrekking hebbende op de bouwkunst. Architraaf, Gr. archi-: boven, hoofd, in de klassieke bouwkunst en de eraan ontleende stijlen is een architraaf de horizontale hoofdbalk die de bovenbouw draagt; wordt meestal ondersteund door zuilen. |
|
Archivolte, It. archivolto: boven-, voorste boog, lintvormig profiel dat de voorkant van een boog of de, gebeeldhouwde, binnenkant van een boog omlijst. In de Romeins-Hellenistische bouwkunst werden triomfbogen en stadspoorten van versierde archivolten voorzien; in de Romaanse en gotische portalen vormen de met figuren bezette archivolten de voortzetting en afsluiting van de versieringen van de portaalwangen. Arena, zie circus Arianen, arianisme:
arianisme is de aanduiding voor de christelijke leer van Arius van
Alexandrië, ca. 2S0-336, welke Christus' goddelijkheid ontkende.
Christus was de, vóór al het andere door de wil van God uit het
niets geschapen Logos, en dus een schepsel dat wel degelijk als zoon
van God benoemd kon worden. In 325 werd het Arsaciden: dynastie die in het door Arsaces I rond 250 v.c. gestichte Parthische Rijk, in het gebied van de Syrisch-Mesopotamische vlakte, regeerde, totdat zij in 226 V.c. door de Sassaniden omver geworpen werd. Ars liberalis, ars mechanica,
Lat. de vrije kunst en de mechanische kunst. Tot de zeven vrije
kunsten, septem artes liberales, werden in de Oudheid de
wetenschappen en kunden gerekend die een vrij man moest beheersen.
In 400 werden ze door de Romeinse schrijver Marcianus Capella
opgeschreven en onderverdeeld in het trivium, grammatica, aritmetiek
en geometrie, en het quadrivium, astronomie, dialectiek,
retorica en muziek. Tijdens de Renaissance spreidde de
kunst in toenemende mate de humanistische vorming en
wetenschappelijke kennis van de perspectief, proportieleer en
anatomie tentoon. Hierdoor was de beeldende kunst niet langer een
mechanische kunst maar een van de vrije kunsten, waardoor ook het
maatschappelijk aanzien van de kunstenaars steeg. Ars moriendi, Lat., de kunst om
vroom te sterven: sterfboekjes, laatmiddeleeuwse stichtelijke
traktaten die de lezer de strijd van hemel en hel om de ziel van de
stervende voorhouden en het juiste gedrag in het uur des doods
aanbevelen. Assassijnen: West-Europese benaming voor de ismaïlieten, een aan het einde van de elfde eeuw ontstane, extreem sjiitische sekte. Macht en invloed, voor de handhaving waarvan voor terreur en moord (Frans: assassin, sluipmoordenaar, of Ara b. hashashin, hasjiesjrokers) niet teruggeschrokken werd, duurde tot in de dertiende eeuw. Assyriërs: Semitisch volk aan de bovenloop van de Tigris. Op het hoogtepunt van de macht in de negende eeuw v.C. omvatte het Assyrische Rijk geheel de Levant, van Babylon tot de Middellandse Zee, inclusief Palestina en Egypte. In 612 v.C. werd het rijk door de Babyloniërs met hulp van andere volkeren vernietigd. Astarte: in iedere Fenicische stad werd Astarte vereerd als godin van de liefde of als godin van de oorlog. In Sidon aanbad men haar naast de god Esjmoen, in Tyros naast Melqart. In Byblos werd zij Baalat Gebal, 'Vrouwe van de Stad (Byblos)', genoemd, analoog aan haar mannelijke tegenhanger, Baal Gebal ('Heer van de Stad') Atabeg, Turks, vadervorst: gouverneurs van minderjarige prinsen van de SeldsjoekTurken. Feitelijk duidt de titel otobeg op een emir, een militaire of burgerlijke hoogwaardigheidsbekleder. Atlanten, de term stamt uit de Renaissance en is afkomstig van Atlas, de reus die in de Griekse mythologie het hemelgewelf draagt. In de bouwkunst is het meestal een overdimensionale, plastische, meestal mannelijke figuur die in plaats van een zuil of pilaster de balken draagt. Zie Kariatiden A secco, Ital. secco, droog; seccoschildering, wandschildering op een droge pleisterlaag. Deze is in tegenstelling tot de frescoschildering niet zo duurzaam. Atmosferische perspectief, een manier om in een landschap diepte weer te geven door minder sterke tinten, soms met wat blauw, en vagere, minder scherpe vormen te gebruiken. Atrium, Lat.: voorhal, voorzaal; belangrijkste en centrale ruimte in een Romeins woonhuis. In vroegchristelijke kerken verstaat men onder het atrium de zuilengalerij die er, meestal even breed als de kerk, aan de westelijke zijde tegen aan is gebouwd.
Attiek, Lat. Attica; Atheens, halfhoge opbouw op de kroonlijst
van een gebouw. Vaak versierd met of voorzien van inscripties. Was
vaak bedoeld om het dak aan het oog te onttrekken. In de Oudheid
vooral gebruikt bij stadspoorten en triomfbogen, in de Renaissance
werd de attiek geïntroduceerd bij de bouw van kerken en profane
gebouwen. Attribuut, Lat. attributtum, toegevoegd, een voorwerp dat altijd wordt afgebeeld om een bepaalde persoon te kunnen identificeren, meestal een heilige. In het geval van martelaren is het meestal het object of symbool van het instrument van hun martelaarschap Augustijnen, middeleeuwse bedelorde naar de regels van de heilige Aurelius Augustinus, 354-430, opgericht in 1256 en in de 14e en 15e eeuw uitgebreid door congregaties. Onder invloed van de humanistische gedachte tijdens de Renaissance sloten veel leden van de vroege Reformatie, een beweging die Martin Luther in gang had gezet, zich bij deze orde aan. De orde nam een belangrijke plaats in in het onderwijssysteem. Aulos, blaasinstrument. Aureool, Lat. Corona, aureola, gouden kroon; een cirkel van licht rond een heilige persoon, een halo. Autocefalie, Gr.: in de orthodoxe kerk, de onafhankelijkheid van de nationale kerken met een eigen bestuur en kerkhoofd. Avelli, Italiaans avello: graf, groeve. Ayyoebiden: lokale islamitische dynastie in Egypte en Syrië, die tussen 1169 en 1250 heerste en soennitisch-orthodox was. Azulejo (Sp./Port.), bontgeglazuurde muur- of vloertegel
** Zie
hier voor:
"Hoe maak ik een printversie van de pagina"? |
06-02-2011 |