| E
Naar alfab. overzicht Ecce Homo, Lat. Zie de mens, de woorden van Pontius Pilatus in het Evangelie van Johannes (19,5) wanneer hij Christus aan de menigte toont. In de kunst een afbeelding van de gegeselde en met doornen gekroonde Christus in een paars gewaad. Ecclesia, Gr. ekklesia: vergadering, in de tijd van de Griekse stadstaten de door de wet bijeengeroepen vergadering van vrije burgers. Het christendom neemt de term over voor de geloofsgemeente en later voor de katholieke Kerk zelf. Echinus, Dorisch kapiteellichaam in de vorm van een kussenblok, begrensd dooreen halfronde lijst tussen de zuilenhals en de dekplaat. Het prof iel veranderde later van een platte torus naar strakker half -hartvormig. Eclecticisme, Gr. eklegein, uitkiezen; begrip uit de kunst en architectuur - in het algemeen met een negatieve klank - waarmee het uitkiezen en tot een nieuw geheel combineren van reeds bestaande voorstellingswijzen, motieven en bouwvormen van oudere meesters en vroegere stijlen wordt bedoeld. École des Beaux-Arts, Fr., school van de schone kunsten: kunstacademie. Edict van Nantes, de verordeningen in 1598 uitgevaardigd door Hendrik IV, waardoor de hugenoten een belangrijke mate van godsdienstvrijheid werd verleend. De vrijheden werden door Richelieu beperkt (vanaf 1629) en door Lodewijk XIV bij de herroeping van het Edict (1685) volledig ongedaan gemaakt. Er volgde een uittocht van ca. 400 000 protestanten. Edom: hoogland ten oosten en zuidoosten van de Dode Zee, in de Oudheid het woongebied van de Edomieten. Net als de andere volken van Palestina kwamen ook zij onder de heerschappij van de Assyriërs, en later die van de Babyloniërs, te staan. Rond 126 v.c. werden ze opgenomen in de staat van de Israëlieten. Efemeer, Gr., 'slechts één dag durend', vergankelijk Eierlijst, lijst met naast elkaar geplaatste versieringen in de vorm van eieren (en reliëf). Eierstaf, sierlijst met eivormige en pijlpuntachtige elementen; de eierstaf werd in de Renaissance overgenomen uit de klassieke architectuur Ekklesia, zie Ecclesia. Ekklesiasterion, het gebouw waar de vergadering van het volk van een Griekse stad plaatsvond. Email, een
glasachtig materiaal dat in een of meer lagen wordt aangebracht op een
ander materiaal, meestal metaal, waarbij verschillende methoden worden
toegepast. Embleem, zinnebeeld bestaande uit drie elementen, 1. de icoon (een allegorische voorstelling), 2. het lemma (bovenschrift), 3. de subscriptio (onderschrift). Emblematiek, naar Gr. 'emblema', inlegwerk: onderzoeksrichting die zich bezighoudt met de afkomst en betekenis van emblemen. Emir, Arab. bevelhebber: oorspronkelijke titel van Arabische stamhoofden, later van militaire bevelhebbers en provincie-gouverneurs. Empire, Frans, = keizerrijk, naam voor het bewind van Napoleon (1804-1814) en tevens voor de in die periode heersende stijl op het gebied der decoratieve en toegepaste kunsten (meubels, kostuums), deel uitmakend van het classicisme. Emporion, Gr.: stapelplaats, markt waar vooral de handel met het buitenland plaats had.Emporium, Lat., galerijachtige inbouw in het interieur van een kerk; dient voor de afscheiding van bepaalde groepen (hofhouding, vrouwen) tijdens de eredienst En face, Fr. gezien van voren, een frontaal beeld. Enfilade, Fr., aaneenrijging van ruimten in een as Engelse tuin, in tegenstelling tot de streng geometrische barokke tuin een losse, 'natuurlijke' aanleg, landschapstuin Engobe: een dun laagje klei, vaak in een andere kleur, dat op aardewerk werd gestreken en waarin een patroon kan worden gekrast. Ensemble, Fr., samen, gemeenschap: in de beeldende kunst het geheel van een groep bij elkaar behorende werken van verschillende genres en technieken, zoals een expositie in een kapel. Entablement, geheel van architraaf, fries en kornis; omlijsting van raam of deur. Entre cour et jardin, Fr., gelegen tussen hof en tuin Entrée solennelle, Fr., plechtige intocht Ephor, Gr., lat. ephorus: opzichter over een kerkelijke administratieve eenheid of district, met toezicht op de markten. Epifanie, Oud-Gr. 'epiphaneia', verschijning: in de Oudheid het zichtbaar worden van een godheid onder de mensen. De 'verschijning van de Heer' wordt in het christendom op 6 januari gevierd als Driekoningenfeest. Epigram, Gr. opschrift: een zelfstandige literaire vorm (puntdicht), met een afgesloten inhoud, een formule. Talrijke opschriften op monumenten, votiefgeschenken en gebouwen hebben de vorm van een epigram. Epigrafie: leer van de opschriften. Epipolis, bovenstad, met name in Siracusa. Eroten, Gr. 'eros', liefde, liefdesgod: de speelse, meestal gevleugelde knapen uit de Griekse mythologie, die net als Eros zonen en begeleiders van liefdesgodin Afrodite zijn. In de kunst van Renaissance, Barok en Rococo leven ze voort als amoretten, genieën of putti. Epitaaf, grafschrift, sedert de 15de eeuw ook de naam voor een grafmonument dat tegen een zuil of muur is geplaatst. Epifanie, Gr., verschijning Epitropos, Gr. gevolmachtigde, voogd: de koningen van de Nabateeën waren vooral priesters en geestelijke leidsmannen. Voor wereldlijke aangelegenheden van het rijk waren veeleer de epitropoi verantwoordelijk, die in rang direct op de koning volgden. Het woord wordt vaak vertaald als eerste minister, kanselier of grootvizier. Eremieten, heremieten, anachoreten, asceten die zich in de eenzaamheid terugtrekken, voorlopers van kloosterlingen. Erinyen, drie Griekse wraakgodinnen uit de onderwereld die misdadigers vervolgen en tot waanzin drijven, gewapend met fakkels en slangen. |
|
Erker, vooruitstekende, overkapte aanbouw Eros, god van de liefde en de passie. Eveneens aanduiding voor de fysieke aantrekkingskracht tussen twee mensen. Esjmoen, Fenicisch, de zalvende: vanaf de achtste eeuw v.C. als god van de genezing aangeduid, die door de Grieken met Asklepios, en door de Romeinen met Apollo gelijkgesteld werd. Samen met Resjef stond hij aan de top van het pantheon in Sidon. Este, een van de oudste vorstengeslachten van Italië, 972-1803, met standplaatsen Ferrara, Modena en Reggio. Isabella d'Este, 1474-1539, uit Napels, vanaf 1490 markgravin van Mantua, is de eerste die een grote kunstcollectie samenstelt. Estrade, lat.: een door middel van een of meer treden verhoogd deel van de vloer in een vertrek om de aandacht ergens op te vestigen, bijvoorbeeld onder een venster of een troon. Ethnarch, Gr.: in de Romeinse tijd een ondergeschikte, lokale vorst, met name in Syrië en Palestina. Etrusken: antiek volk in Etrurië, een deel van Italië aan de Tyrreense Zee tussen de Tiber, de Apennijnen en de Arno,een streek die min of meer overeenkomt met het huidige Toscane. De Etrusken zijn vermoedelijk in de negende eeuw v.C. over zee vanuit Turkije naar Italië gekomen. In de derde eeuw v.C. zijn zij opgenomen in het Romeinse Rijk. Ets, zie Radering. Eucharistie, naar Gr. 'eu', goed en 'charis', hulde, dank: dankzegging; het sacrament van het avondmaal; feest van het avondmaal, met brood en wijn als hoogtepunt van de christelijke eredienst. Eulogie, Gr. zegen of gewijd voorwerp: aandenken dat de pelgrim in de vorm van een klein devotievoorwerp van de bedevaartplaats mee naar huis nam. De voorwerpen konden verschillende vormen hebben, zoals een klein medaillon van aardewerk of metaal, een schelp, of een flesje gewijd water. Europa, in de Griekse mythologie de dochter van koning Agenor en Telephassa; zij werd tijdens het spelen aan de kust door Zeus in de gedaante van een stier naar Kreta ontvoerd. Het werelddeel Europa, waarvan de onduidbare naam pas later door de Europasage moest worden verklaard, wordt in de antieke opvatting in het westen begrensd door de Atlantische Oceaan, in het oosten door Phasis en in het zuiden door de Middellandse Zee. Eurythmia, harmonieuze combinatie van proporties. Evangeliënharmonie: de geschiedenis van Jezus, samengesteld uit de vier evangeliën. Evangelist, Gr. euaggelistes; Lat. evangelista; in het Nieuwe Testament oorspronkelijk de aanduiding voor 'begeleider van de apostelen. Vanaf de 3de eeuw worden de schrijvers van de evangelieboeken, te weten Mattheus, Marcus, Lucas en Johannes, evangelisten genoemd. Evangelistensymbolen, Gr. euaggelistes; lat. evangelista; de bij
de schrijvers van de vier evangeliën behorende gevleugelde wezens,
die als attributen verschijnen of hen zelf symboliseren: Mattheus -
mens of engel, Marcus - leeuw, Lucas - stier en Johannes - adelaar.
Ze kunnen ook in één enkele figuur, de tetramorf, zijn samengevoegd.
Op die manier zijn ze een zinnenbeeld van Christus, die in Zijn
persoon de eenheid van de evangeliën belichaamt. De
evangelistensymbolen gaan terug op een visioen van de
oudtestamentische profeet Ezechiël (1:4 e.v.) en op de Openbaring
van Johannes (4:6 .v.). In de beeldende kunst duiken de
evangelisten-symbolen vanaf de 4de eeuw op. Ex-voto, voorwerp dat in een kerk wordt geplaatst als dank aan god of aan een heilige voor een verkregen gunst. ** Zie
hier voor:
"Hoe maak ik een printversie van de pagina"? |
02-02-2012 |