| G Naar
alfab. overzicht Galerij, overdekte gang langs een gebouw of straat of rond een binnenplaats, al dan niet met arcaden; in de middeleeuwse kerkarchitectuur was de galerij een dienstgang in of langs de muren van een kerk, hetzij aan de buitenkant, als dwerggalerij, hetzij aan de binnenkant boven de scheibogen, als zijbeuksgalerij of tribune. Deze laatste werd in de Gotiek verdrongen door het triforium. Geboortebord, It. desco da parto, een beschilderd houten bord dat aan een vrouw wordt gegeven bij een geboorte. De schilderingen omvatten meestal toepasselijke mythologische, literaire en religieuze scènes en allegorieën. Gebosseerde zijde, slechts ruw bewerkte, zichtbare zijde van een steen of plastisch werk Gemma, Lat. gemma, knop, edelsteen; ook intaglio, Ital., ingesneden; edelsteen, halfedelsteen of schelp waarin verdiept een voorstelling is uitgesneden, in tegenstelling tot de camee, waarbij de voorstelling verheven is. Genadestoel, weergave van de goddelijke DrieEenheid. God de Vader houdt tronend of staand het kruis met de gekruisigde Zoon vast; tussen hen in verschijnt de duif, symbool van de Heilige Geest. Genre, Fr. voor soort, wezen; in de kunst voorstelling uit het dagelijks leven Genreschilderkunst, geeft scènes weer uit het alledaagse leven. Genius, Lat., meerv. genieën, beschermgeest; beschermgeest in mensengedaante in de Romeinse mythologie, die met een baard of als jongeling, vaak met naakt bovenlijf en met een hoorn des overvloeds in de linkerarm en een offerschaal in de rechterhand wordt afgebeeld. Ook bepaalde groepen, zoals de senaat (Genius Senatus), plaatsen (Genius loci) en de staat (Genius Populi Romani) hadden hun eigen genius. Genreschilderkunst, Fr., soort: schilderkunst die typische taferelen en gebeurtenissen uit het alledaagse leven, een bepaalde beroepsgroep of sociale klasse als thema heeft. De schilderingen worden ook wel zedenschilderingen genoemd. Een eerste hoogtepunt vormt de Nederlandse kunst van de 16e en vooral de 17 e eeuw, wanneer de thema's zich gaan differentiëren, zoals het soldatengenre of het conservatiestuk. In de 18e eeuw treedt de hoofse genreschilderkunst met herderstaferelen, galante feesten en speelse boerentaferelen op de voorgrond. Bovendien beleeft de genreschilderkunst door een satirische opvatting en door een sentimentele ontplooiing een nieuwe bloeitijd. Met de weergave van boeren en arbeiders tijdens hun werk verkrijgt dit schildergenre een nieuwe inhoud en bredere betekenis. Gens, Lat. meerv.: gentes, geslacht; in de zin van grote familie, soms ook volk, bij de Romeinen oorspronkelijk een op afstamming berustend verband van personen, dat vooral een privaatrechtelijke functie had. Politieke betekenis had de gens vooral in de Vroegromeinse tijd. Aan het eind van de Republiek (1ste eeuw v.C.) was het begrip reeds inwisselbaar met familia, (familie). Wel kon men nog aan de geslachtsnaam zien tot welke gens iemand behoorde (bijvoorbeeld: Gaius Julius Caesar uit het geslacht der Julii). Geomorfologie: een wetenschap die de vorm en ontwikkeling van het aardoppervlak bestudeert; een tak van de geologie. Gesamtkunstwerk, Duits., een totaal kunstwerk, een kunstwerk waarin diverse kunstvormen, waaronder architectuur, schilderkunst en beeldhouwkunst, met succes worden gecombineerd, zoals het graf van de kardinaal van Portugal in San Miniato in Florence. Geschoorde (zuilen), wordt gezegd van zuilen die tegen een muur aan zijn gebouwd en waarvan de sokkel en het kapiteel meteen muur verbonden zijn. |
Getijdenboek, ook livre d'heures, Fr.: gebedenboek voor leken met teksten voor de afzonderlijke horae, biduren. Tijdens de Middeleeuwen en de Renaissance is het boek vaak uitgerust met prachtige miniaturen. Bijzonder kostbaar is vaak de voorafgaande eeuwigdurende kalender, die de typische werken voor de desbetreffende maanden en de dierenriemtekens laat zien. Tot de mooiste behoren die van de broers Limbourg, uit de vroege 15de eeuw. Gewaden, Griekse, het hoofdgewaad is de chiton, een kort of lang onderkleed van wol, met of zonder mouwen, dat in de taille werd omgord. Vrouwen konden daaroverheen de 'peplos' dragen, een aan de schouders vastgemaakt lang gewaad zonder mouwen dat met een gordel bijeen werd gehouden. Als bovengewaad gebruikten zowel mannen als vrouwen de himation, een grote, rechthoekige wollen lap die over de linkerschouder werd gedrapeerd, onder de rechterarm door naar voren ging en dan op de linkerschouder of linkeronderarm word gelegd. Reizigers en soldaten droegen een chlamys, een dikke mantel die om do schouders werd geslagen en door een gesp bijeen werd gehouden. Gewaden, Romeinse, het belangrijkste kledingstukvoor mannen en vrouwen was de aan de Griekse chiton verwante tunica, die bij de vrouwen onder de borsten of in de taille bijeen werd gebonden. Als opperkleed droegen de vrijgeboren mannelijke Romeinse burgers een toga, een fijn, wollen gewaad in de vorm van een cirkelsegment, dat op een vaste manier werd gedrapeerd, zodanig dat de linkerschouder bedekt was en de rechterarm vrij bleef. Over de tunica heen konden de mannen ook een pallium en de vrouwen een 'pallia' dragen, beide vergelijkbaar met de Griekse 'himation'. Aan de kleding waren in de Romeinse tijd de standsverschillen af te lezen: afgezien van de verschillende schoenvormen kon men aan een paarse boord onder aan de toga en een brede paarse streep ('clavus') zien dat de drager een senator was, terwijl de tunica van een ridder werd gesierd door een smalle paarse streep. |
![]() Gewelf, gebogen, meestal uit wigvormige stenen opgebouwde metselwerkconstructie boven een ruimte. In tegenstelling tot een koepel kan een gewelf ook een langwerpige ruimte overspannen. De dragende muren of pijlers vangen van het gewelf zowel een neerwaartse als een zijwaartse druk op. Er zijn verschillende soorten gewelven te onderscheiden, onder andere kruisgewelven en tongewelven. Gewelf met uitkragingen, een gewelf dat werd gemaakt door middel van horizontaal op elkaar geplaatste lagen die uitsteken ten opzichte van elkaar. Er is geen sprake van een echt gewelf. Gewelfsleutel of sluitsteen, ring- of kruisvormige steen die in de kruin van een gewelf wordt ingelaten om het metselwerk aan te dringen. Vaak versierd met beeldhouwwerk of beschilderd. Ghassaniden:Arabisch heersersgeslacht dat met name in de zesde eeuw n.C. over delen van Syrië en Palestina heerste. De Ghassaniden waren monofysitische christenen en vazallen van het Byzantijnse Rijk. Ghibellijnen, zie geschiedenis van Welfen en Ghibellijnen. Giganten, reuzen, zonen van Gaea, die dadelijk na hun geboorte de Olympische goden bestreden.Gigantomachi, confrontatie tussen mythische reuzen in gevecht met goden. Gilde, corporatie, deels coöperatieve, deels door het stadsbestuur verordonneerde vereniging van ambachtslieden en beroepsgroepen die de economische, sociale en politieke belangen behartigde en tegelijk een instrument was voor stedelijke productiepolitiek. In de Middeleeuwen ontstaan en nauw verbonden met het opkomen van de steden. De organisaties bestonden tot in de 19e eeuw. Glacis: element in de vestingarchitectuur. Bij het uitgraven van de slotgracht werd met de grond aan de buitenzijde van de vesting een wal opgeworpen; deze werd ook wel aangelegd van stenen. Ook werd het hele voorterrein van een versterking, waarop de hoge buitenmuren rustten, wel glacis genoemd. Soms is deze bedekt met een laag stenen; de helling was zo aangelegd, dat de vijand zich er niet achter kon verschansen. Gloriëtte, eretempel, paviljoen in een park. Gloriole, van Lat. 'gloria', roem, glans, hemelse heerlijkheid: ook stralenkrans, nimbus, die meestal bij God de Vader, Christus, de Heilige Geest en Maria het hele lichaam omgeeft. Glyptiek,
Gr.: de kunst van het snijden van een zegel (rolzegel,
stempelzegel of scarabee) uit steen stond in het Midden-Oosten in
hoog aanzien. Zegels waren hier alledaagse gebruiksvoorwerpen om
documenten te ondertekenen. verdragen te bezegelen, en deuren en
deksels te verzegelen. Ze dienden ook wel als amulet en werden dan
om de hals gedragen. Godsdienstoorlogen, in Frankrijk speciaal de oorlogen tussen 1562 en 1598 tussen hugenoten en rooms-katholieken. Zij werden afgesloten door het Edict van Nantes. Goeblitisch: afleiding van de Semitische naam Goebla van de Fenicische stad Gebal, die door de Grieken Byblos werd genoemd; de Goeblitische cultuur is dus de cultuur van Byblos. Golgotha, zie Calvarieberg Gonfaloniere, It. vaandeldrager, een hoge positie in de regering van diverse Italiaanse epublieken tijdens de Renaissance. De gonfaloniere delta giustizia, de gonfaloniere van justitie, bekleedde een hoge positie in de regering van Florence. Gonzaga, Italiaans vorstengeslacht dat in 1328 de heerschappij over Mantua verkrijgt. In 1433 krijgt het geslacht de markgraaf titel en in 1530 die van hertog. De hoofdlijn in Mantua sterft in 1627 uit. Gordelboog, dwars op de lengteas van een gewelf verlopende steunboog. Gorgonen, vrouwelijke monsters met slangenhaar en ijzeren klauwen. Wie hen zag, versteende. Op het schild van Athena symboliseren zij de apotropaeïsche macht van de godin. Gothic Revival, Neogotiek in Groot- Brittannië. |
Gotiek, It. gotico: barbaars, niet klassiek; benaming voor een stijl in de Europese middeleeuwse kunst van ca. 1150 tot begin 16de eeuw (in Italië tot ca. 1420). In de Renaissance wordt de term door Vasari vastgelegd en negatief gebruikt. Kenmerken In de bouwkunst zijn de toepassing van nieuwe constructiemethoden (steunberen, luchtbogen, spitsbogen), voornamelijk ten behoeve van de nagestreefde verticaliteit en van een transparantere bouw (vele, hoge ramen i.p.v. dikke muren), en een steeds rijkere toepassing van versierend beeldhouwwerk. Voor de bouwkunst Is de gotische dom maatgevend: het interieur, dat bij Romaanse kerken uit verschillende delen bestond, wordt in de Gotiek tot één geheel gesmeed. Het geheel groeit in de hoogte: kruisribgewelven en de naar buiten verplaatste steunconstructies vergroten het verticale effect. Ronde bogen worden vervangen door spitsbogen en men streeft naar een vergaande oplossing en openwerking van de muur, skeletbouw. Frankrijk De Gotiek kwam voor 1150 in Noord-Frankriik tot ontwikkeling en breidde zich via leden van de bouwgilden geleidelijk uit naar Duitsland, Engeland, Spanje en Italië. In Frankrijk onderscheidt men de volgende perioden: vroege gotiek (tweede helft 12de eeuw), hoge gotiek (ca. 1190- ca. 1250), flamboyante gotiek (ca. 1250-ca. 1400), late of flamboyante gotiek (ca. 1400- begin 16de eeuw). De duur van de periode Is verschillend, ongeveer tot begin 16e eeuw; in Italië duurde de Gotiek slechts tot ongeveer 1400. De gotische sculptuur Is in hoge mate met het gebouw verbonden, zie bijvoorbeeld de versiering van gevels met beelden. De gotische plastiek wordt bepaald door een idealistische opvatting van de natuur; lichaam en bekleding, plooiing, moeten samengaan ter vergroting van de zeggingskracht. De schilderkunst is beperkt omdat er op de veel bewerkte muren weinig plaats is voor muurschilderingen. In Italië vormen de fresco's van Giotto op deze regel een uitzondering in het begin van de 14e eeuw. Het accent ligt op panelen en glasschilderkunst. De vormgevingsprincipes komen grotendeels overeen met die van de beeldhouwkunst. Gouaches, kunstwerken vervaardigd met soort waterverf met gomwater gemengd, die zodanig wordt aangebracht, dat de ondergrond (papier, zijde enz.) geheel onzichtbaar wordt gemaakt. Goudgrond, een geheel of gedeeltelijk met bladgoud bedekte schildergrond. Graffito, Ital., van graffiare, krassen; ook sgraffito, techniek voor het maken van muur- en geveldecoraties, waarbij op een grondlaag van klei of pleisterwerk één of meer pleisterlagen (kraslagen) in andere kleuren worden aangebracht. In de bovenlaag wordt, voordat het pleisterwerk hard wordt, een patroon of een figuratieve voorstelling gekrast. Door te variëren qua diepte worden de verschillende onderliggende lagen zichtbaar. Vanwege zijn goede weerbestendigheid was het graffito geliefd als geveldecoratie in de Barok en Renaissance. In Rome waren voel gevels van graffitodecoraties voorzien, maar er zijn er maar weinig bewaard gebleven. Grafiek, Gr. 'grafike techne', de kunst om te schrijven of te tekenen: artistieke producten waaraan een getekende vormgeving ten grondslag ligt. Tot de gebruikte instrumenten behoren stift, veer, krijt, kool en penseel. Het begrip duidt bovendien de verveelvoudiging van schrift en druk aan, drukgrafiek. Grafkapel, in een grotere kerk opgenomen of vrijstaande, meestal weelderig versierde kapel die is gebouwd boven het graf en ter nagedachtenis van een vereerd of aanzienlijk persoon. Meestal is er sprake van een centrale aanleg (een rotonde of een bouwwerk met do plattegrond van een Grieks kruis) en in veel gevallen staat de tombe in het midden. Gratiën, Lat. 'gratia', welgevallen: met de Griekse Chariten corresponderende dochters van Zeus en Euronyme: Agleia (glans), Euphrosyne (vrolijkheid) en Thaleia (bloesem). Ze brengen de goden en mensen bevalligheid, schoonheid en vreugde. Ze staan dicht bij de horen (godinnen van de jaargetijden) en de nimfen (vrouwelijke natuurdemonen) en zijn de begeleidsters van Venus. Greek Revival, Engelse aanduiding voor een bepaalde fase van het Classicisme (c.q. Neoclassicisme) waarin de Griekse kunst en cultuur gedecideerd boven de Romeinse werden geplaatst Grieks kruis, een kruis met vier armen van gelijke lengte. |
Grisaille, Fr. gris: grijs, grisailler: grijs beschilderen; een grijs-op-grijs-schildering waarbij bewust geen kleur wordt gebruikt; alleen de tinten grijs en bruin worden toegepast. Grisaille komt voor het eerst voor in de ramen van de kerken van de cisterciënzer orde, die vreesde dat kleur in de ramen de monniken van het gebed zou afleiden. Ook Giotto gebruikte het voor de nabootsing van beeldhouwwerken in zijn schilderijen (de deugden in de Scrovegnikapel, Padua, 1303-1313), en er zijn talloze andere voorbeelden. In de Renaissance worden grisaille-schetsen door graveurs gebruikt als voorbeeld bij de reproductie van schilderijen. Gronden, het prepareren van de beelddrager (linnen of doek, hout, koper, papier) met een massa die niet alleen de zuigkracht en de kleurtint van de gebruikte materialen beïnvloedt, maar ook de keuze van de lijmstoffen (Ieder-, dier-, caseïnelijm), de keuze van vulstoffen (krijt, natuurgips) en de keuze van pigmenten (zinkwit, loodwit, bolus, groene aarde). Deze basislaag bepaalt de oppervlaktewerking en houdbaarheid van een schilderij en kan soms helpen de datering van een werk vast te stellen. Grot, kunstmatige spelonk in de grond of de rotsen, die in de mysterieuze verbinding van natuur en kunst een oorspronkelijke toestand symboliseert; sinds de Renaissance een geliefd vormgevingselement in tuinen Grote of Groot Schisma, Gr. afscheiding, scheuring, een scheiding in de rooms-katholieke Kerk, van 1378 tot 1417, toen er twee of zelfs drie lijnen van pauselijke opvolging waren. Het Grote Schisma werd voorafgegaan door de zogenaamde Babylonische ballingschap, toen de paus in Avignon resideerde. Groteske, It. grotta: grot, spelonk; ornament in de vorm van dunne ranken waartussen meestal bizarre figuren, dieren, planten en architectonische motieven te zien zijn. Meestal geschilderd, soms in stuc uitgevoerd of in hout gesneden. Deze ornamenten werden voor het eerst in de Oudheid toegepast; de benaming is afkomstig van de plaats waar ze ontdekt werden: in onderaardse Romeinse gebouwen vanaf 1520. Vanaf deze tijd worden grotesken weer volop gebruikt. Gulden snede, Lat. sectie aurea, in de schilderkunst en de architectuur een formule om esthetisch bevredigende verhoudingen te bereiken. De gulden snede wordt bereikt door een lijn ongelijk te verdelen zodat het kortste deel in dezelfde verhouding staat tot het grote deel als het grote deel tot het geheel. Deze verhouding is ongeveer 8.13. De gulden snede, soms gulden middenweg genoemd, die een perfecte proportionele harmonie zou uitdrukken, speelde een belangrijke rol in renaissancistische kunsttheorieën. ** Zie hier voor: "Hoe maak ik een printversie van de pagina"? ▲ |
06-02-2011 |