|
H
Naar alfab. overzicht Hagiografie, Gr. hagios, heilig en graphein, schrijven; levensbeschrijving van een heilige; in het algemeen de discipline die zich bezighoudt met de levens, werken en verering van heiligen en zaligen. Deze ontwikkelde zich in de Oudheid en Middeleeuwen uit overgeleverde verhalen en geschriften over martelaren en heeft legendevorming in de hand gewerkt. Een van de belangrijkste legendebundels is de Legende aurea van Jacobus de Varagins (1230-1298). In de Renaissance werd de hagiografie een wetenschap. Hallenkerk, een kerk waarbij de zijbeuken even hoog zijn als het middenschip, vooral gangbaar in de late Gotiek . Hallenkoor, meerbeukig koor met gewelven van gelijke hoogte. Hamdaniden: Arabisch vorstengeslacht dat in de tiende eeuw in Mosul en Aleppo regeerde. Politiek gezien was het oorspronkelijk een kleine, lokale dynastie die door het werk van befaamde dichters en geleerden beroemd is geworden. In het Arabische zelfbewustzijn heeft zij nog steeds niets van haar glans verloren. Hamman, Arab.: badhuis in het Midden-Oosten. De traditie van het stoombad in de Arabische wereld is overgenomen uit de Romeinsbyzantijnse cultuur, en leeft nog voort in de zogenaamde Turkse baden. Handschrift, ook manuscript, Lat. 'manu scriptus', met de hand geschreven: een antiek of middeleeuws boek dat met de hand is geschreven en dat vaak voorzien is van versierde randlijsten, kleurige hoofdletters en miniaturen. Aanvankelijk nemen de scriptoria (schrijfvertrekken in kloosters) het schrijven van geschriften en het maken van kopieën ter hand. In Nederland en Noord-Duitsland houden de 'broeders van het gemene leven' zich vanaf 1383-1384 bezig met het maken van handschriften. Vlaanderen, Bourgondië en vooral Parijs zijn in de 15e eeuw belangrijke centra van ambachtelijk geproduceerde brevieren (gebedsboeken) en livres d'heures (urenboeken).
Haram, Arab., de of het gewijde:
oorspronkelijk betekent het woord hetzelfde als taboe. Hasmoneeën/Makkabeeën: joodse dynastie die de overheersing van de Seleuciden over het joodse volk ongedaan maakten en de joodse staat herstelden, 142 v.C.. Deze kwam in 63 v.C. onder de Romeinse heerschappij. Haute cour, Frans: hooggerechtshof in de kruisvaarderstaten, samengesteld uit de koning en zijn vazallen. Hecatombedon, letterlijk: honderd voet. Griekse tempel met een lengte van 1 00 voet, ongeveer 30 meter. Hegumenos, Gr.: abt van een klooster in de Byzantijnse en orthodoxe kerk. Hellenisme, Gr. hellenismos, het Grieks spreken; in de Oudheid de aanduiding voor de Griekse taal en cultuur; in het moderne onderzoek een aan de geschiedwetenschap ontleend begrip om de periode in de Griekse cultuurgeschiedenis aan te duiden die zich uitstrekt van de dood van Alexander de Grote (323vC.) tot Augustus (31 v.C.). Kenmerkend voor het hellenisme zijn de uit het rijk van Alexander voortgekomen dynastieke monarchieën in Egypte en Klein-Azië (Ptolemaeën, Seleuciden, Antigoniden en kleinere rijken als Pergamon), met hun sterke leger en complexe ambtenarenapparaat, en het verval van de Griekse stadstaten tot politieke onbeduidendheid. Rond de machtige koningshoven ontwikkelden zich eigen kunstenaars scholen, die een nieuwe stijl schiepen, die later ook de kunst van de Romeinse veroveraars zou beïnvloeden. Er ontstond een barokke vormentaal, die zich weinig aantrok van de regels van de klassieke periode, maar daarnaast kwam in de 2de eeuw v.C. ook een classicistische stroming pp, die teruggreep op oude voorbeelden. Helm, torenkap. Heracles, Hercules, in de Griekse mythologie de zoon van Zeus en Alcmene (de vrouw van Amphitryon) en als zodanig gehaat door Hera; al voor zijn geboorte geroemd als geweldigs te onder alle mensen. Hera zorgt ervoor dat op de dag die bestemd was voor zijn geboorte niet Hercules maar Eurystheus, de zoon van Sthenelus, werd geboren, waardoor deze als gevolg van een eed van Zeus macht krijgt over Hercules, die twaalf werken voor hem moet verrichten. Herdersidylle, zie Arcadië. Heresie, Gr. hairesis, het uitverkorene, denkwijze; in de Oudheid oorspronkelijk de keus voor een bepaald geloof; in het christendom een van het christelijke religie of van de rechte leer afwijkend geloof; ook ketterij of dwaalleer genoemd. Herme, borstbeeldpijler. Herodes: vorstengeslacht uit Edom of Idumai, dat in 125 v.C. gedwongen was tot het aannemen van het joodse geloof. De naam van de dynastie is afgeleid van Herodes de Grote, die van 37 tot 4 v.C. koning van Judea was. Heroïsch landschap, Gr. 'heros', held: zie Landschapsschilderkunst Heroon, een tempel of monument ter ere van een heros, een vergode held, beschermer van een stad. Hesychios: Byzantijns woordenboekschrijver uit Alexandrië, waarschijnlijk uit de vijfde of zesde eeuw n.C., samensteller van een alfabetisch woordenboek dat een waardevolle bron is voor de kennis van het Griekse poëtische taalgebruik. Hexastyle, gebouw met een gevel met zes zuilen. Hettieten, ook Hittieten of Hethieten: een volk dat zich vanaf het tweede millennium v.C. in Oost-Turkije vestigde en van daaruit een groot rijk stichtte. In ca.1200 v.C. ging het ten onder door uit zee binnenvallende volkeren. In Noord-Syrië bestonden nog tot in de negende en achtste eeuw v.c. kleine Hettitische koninkrijken. Hidjra: vlucht, 'trektocht', van Mohammed van Mekka naar Medina in 622. Met deze gebeurtenis begint de zeventien jaar later door kalief Omar ingevoerde islamitische jaartelling. Hiëronymieten, een naar de Heilige Hiëronymus van Stridon, 419/420, genoemde kluizenaarscongregatie die de augustijnenregels met aanvullingen uit de geschriften van Hiëronymus volgt. Haar belangrijkste doel is de zielszorg en wetenschappelijk onderzoek. Hippodamisch (plattegrond), stadsplattegrond geïnspireerd op het ontwerp van Hippodamos van Milete, 5de eeuw v.Chr., architect, meetkundige en landmeter, die geldt als de uitvinder van de ortogonale plattegrond. Hippodroom, Gr. baan voor paardenrennen, elliptisch aangelegde baan voor paarden en wagenrennen. Historia, Lat. (histoire, historie, historia) verhaal, in de renaissancistische kunsttheorie het verhaal of incident dat moet worden geschilderd of gemodelleerd. Men vond dat de afgebeelde onderwerpen moreel, intellectueel en spiritueel stichtend moesten zijn. Historieschilderkunst, Lat. 'historia', geschiedenis; Gr. 'historia', weten, kunde: genre in de schilderkunst dat de weergave van historische, in sagen overgeleverde, Bijbelse of mythologische personen en gebeurtenissen tot thema heeft. Dit genre wordt door veel kunsttheoretici gezien als het hoogste schildergenre, omdat de kunstenaar alle andere genres (portret, landschap, stilleven en genre) moet beheersen voor hij een historiestuk kan maken. De personen en gebeurtenissen worden als exemplarisch beschouwd, geïdealiseerd en levensgroot weergegeven. Daarbij speelt de wens naar historische geloofwaardigheid en de overdraagbaarheid van het verleden op het heden een belangrijke rol. Historisme, stijl van de westerse architectuur vanaf het einde van het Classicisme tot de jugendstil (ca. 1820-1920); het Classicisme zelf als teruggrijpen op de klassieke kunst en ook de romantische Neogotiek kunnen in ruimere zin al als 'historistisch' worden beschouwd Hodegetria, Gr. gids, Oudbyzantijns Madonnatype, genaamd naar het oerschilderij in de Hodegon-kerk in Byzantium, 5e eeuw. Op dit schilderij is Maria als halffiguur afgebeeld terwijl ze haar kindje op de linkerarm draagt. Nabootsingen vanaf de 10e tot de 12e eeuw, vaak in ivoor. Hoerrieten: volk dat in de zestiende eeuw v.C. vanuit het oosten in het noorden van Mesopotamië en Syrië, en in Palestina aankwam. Het grootste rijk van de Hoerrieten was Mitanni, rond 1450 v.C.. Hof, een hof is oorspronkelijk een omheind stuk grond waaruit zich de boerenwoning met bijbehorende landerijen heeft ontwikkeld. In de Middeleeuwen duidt men met het begrip 'hof' (ook 'villa' of 'curtis') het bezit van een heer aan. Men spreekt in dit geval ook wel over een domein: naast het kasteel of de versterkte woning van de heer omvat zo’n domein o.a. bouwland, bos, weideland en een dorp. Verder heeft het woord 'hof' betrekking op de woning van een vorst (de bezitter van de meeste domeinen) en de personen die hem omgeven. Hogel, gebeeldhouwd gotisch ornament in de vorm van een knop of omgekruld blad, ter versiering van pinakels, wimbergen enz. Holkeel: holle lijst waarin een halfbol reliëf naar voren steekt, en dat als bekroning dient van een architectuurelement; kenmerkend voor Egyptische architectuur. Homilie, Gr. samenzijn, gesprek, soort preek die een Bijbelpassage zin voor zin uitlegt; dit in tegenstelling tot een thematische preek. Honorati, lat.: hoogwaardige personen binnen een gemeenschap; in de Vroegbyzantijnse tijd meestal voormalige hoge ambtenaren en officieren. Hoofdgestel, in de klassieke architectuur het brede, horizontale lijstwerk dat het bovenste deel van een zuilorde vormt, bestaande uit een architraaf (die het gewicht van de bovenconstructie draagt), een fries (horizontale muurdecoratie) en een kroonlijst (de bovenste, uitspringende lijst). Synoniem: entablement. Hoogaltaar, Lat. 'altare' , offertafel: hoofd-, middenaltaar in de apsis van een kerk. Hoplieten, Gr. hoplon, schild; zwaarbewapend voetvolk van de Griekse stadstaten vanaf de 7de eeuw v.C., uitgerust met een groot schild, helm, pantser, zwaard en handspeer. Alleen wie volledige burgerrechten bezat en zijn uitrusting zelf kon verwerven, kon hopliet worden. De vaste slagorde van de hoplieten tijdens veldslagen was de gesloten falanx (Gr. wals). Hore, naar Gr. 'hora', natuurlijke periode, jaargetijde; meerv. 'horen': de drie godinnen van de jaargetijden, maar ook die van de wetmatigheid, de rechtvaardigheid en de vrede. Ze zijn de dochters van Zeus en Themis. Horror vacui (Lat.), angst voor de leegte. Hortus conclusus, Lat. omsloten tuin, een beeldend motief waarbij de Maagd en Kind zijn weergegeven in een ommuurde tuin, soms in het gezelschap van vrouwelijke heiligen, engelen en tamme dieren. De tuin, afgesloten van de rest van de wereld, symboliseert haar reinheid. Hótel, groot stadshuis (in Frankrijk) van een aanzienlijk persoon of geslacht. Houtsnede, hoogdruktechniek. De vormensnijder, die niet altijd dezelfde persoon is als de ontwerpende kunstenaar, werkt de lijnen van een tekening uit op een houtvlak; de verhoogde lijnen worden bij de druk zichtbaar. Houwsteen, aan alle zijden bewerkte natuursteen. Hugenoten, de sedert 1560 gebruikelijke naam voor de Franse calvinisten. De naam is waarschijnlijk afgeleid van Eidgenossen. Humanisme, beweging die in Italië is ontstaan
in de 14e eeuw en voortduurde tot de 17e eeuw. De humanistische gedachte
ging uit van een op de klassieken georiënteerde, puur menselijke, humane,
vorming. Men baseerde zich dus niet op theologische vorming. Deze
gerichtheid op de mens met zijn voornamelijk aardse lotsbestemming en zijn
natuurlijke waardigheid was gebaseerd op een herleving van het klassieke
levens- en natuurgevoel, los van het scholastische dogma uit de
Middeleeuwen. Als vader van het Humanisme geldt Petrarca, 1304-1374, die
de antieke literaire vormen deed herleven. Humuliaten, Lat. humilis: deemoedig, Italiaanse broederschap die in 1201 werd opgericht en in 1571 weer werd opgeheven. Hybris, buitensporigheid, geweld, mateloosheid die de Grieken tegenover de gerechtigheid, dikè, stelden en die zij beschouwden als de bron van onlusten en het kwaad. Hypaetraal, Gr. onder de open hemel: in de archeologie gebruikt voor gebouwen, zoals tempels, waarvan het middendeel geen dak heeft. Hyperoon, woning boven een paleis, vaak bestemd voor de vrouwen. Hypostyle (ruimte): ruimte waarvan de dakbedekking door rijen zuilen of pijlers wordt gedragen. Hypocaustum, Romeins vloerverwarming systeem. ** Zie hier voor: "Hoe maak ik een printversie van de pagina"? ▲ |
06-02-2011 |