| O
Naar alfab. overzicht Obelisk, boven vierkante plattegrond opgerichte hoge monoliet waarvan de punt piramidaal toeloopt; uit de Oud-Egyptische bouwkunst stammende monumentvorm die geliefd blijft tot in de 19e eeuw. Octogonaal, achthoekig. Octogoon, een achthoek, een voorwerp, dat 8
gelijke zijden en hoeken heeft. Oculus, Lat.: oog, ronde lichtopening in een muur of koepel. Oeuvre, Fr., werk, totale
werk: het gezamenlijke werk van een kunstenaar.
Ofir: het legendarische
goudland vanwaar expedities van koning Salomo en koning Hiram van
Tyros over zee exotische goederen naar Jeruzalem brachten. In de
Oudheid vermoedde men, dat Ofir in India of MiddenAfrika lag. Olieverf, een
schildermedium waarin de pigmenten zijn gemengd met opdrogen- de
olie, zoals lijnzaadolie, walnotenolie of maanzaadolie. Hoewel in de
Middeleeuwen al olie werd gebruikt, kwam het medium pas begin 15e
eeuw volledig tot ontwikkeling met de gebroeders Van Eyck. Het
bereide Italië rond 1460 en aan het eind van de eeuw had het tempera
grotendeels vervangen. Men gaf er de voorkeur aan vanwege de
genuanceerdheid ervan, de rijkheid van de kleur en het grotere
aantal mogelijke tinten. Olieverfschilderkunst,
schilderen met verven waarbij de gewreven kleurstoffen zijn vermengd
met lijnolie. Zo kunnen zachte overgangen tussen de kleuren worden
bereikt en het opbrengen van de verf kan zeer genuanceerd gebeuren,
van lazuur tot pasteus. Aanvankelijk werd er op hout geschilderd,
later vooral op linnen dat op een lijst was gespannen, maar ook op
karton en koper. Deze manier van schilderen werd al in de Oudheid
toegepast, maar werd pas in de 15de eeuw door de gebroeders Jan en
Hubert van Eyck geïntroduceerd in de paneelschilderkunst.
Omajjaden: eerste
dynastie van kaliefen in Damascus, 661 tot 75° n.C.
Omphalos, het
kosmische ei, navel van de wereld in Delphi in de vorm van een
geheiligde steen. Onomastiek: naamkunde. Ontlastingsboog, dient om een
dragend element boven een leegte te ontlasten door de druk
zijdelings op stevige pijlers over te brengen.
Openbaring van Johannes, zie Apocalyps.
Openluchtschilderkunst,
ook plein-airschilderkunst: de in tegenstelling tot de
atelierschilderkunst in de openlucht beoefende
schilderkunst. Het gaat de kunstenaar er vooral om de
natuurlijke elementen van een landschap en de sfeer
realistisch weer te geven. Eerste aanzetten zijn er in de
renaissanceschilderkunst, daarna in de 16e- en 17e-eeuwse
Nederlandse landschapsschilderkunst. De schilderijen
ontstaan na studies in de openlucht in het atelier. Naar het
voorbeeld van Engelse landschapsschilders als John ConstabIe
(1776-1837) en Richard Parkes Bonington (1801-1828) beginnen
halverwege de 19e eeuw Franse kunstenaars, vooral de leden
van de School van Barbizon, hun stukken in de vrije natuur
uit te voeren. Opera del Duomo,
een samenwerkingsverband van alle ambachtslieden die betrokken waren
bij de bouw of het onderhoud van een Italiaanse kathedraal.
Opisthodoom,
het achterste deel van de
cella van een Griekse tempel dat vaak tussen de anten, in
antis, bij het chevet van het heiligdom geplaatst is. Er
konden offergaven worden gebracht.
Oppidum,
versterkte plaats in pre-Romeinse of Romeinse tijd.
Opus rustica,
bouwtrant van on- of ruwbewerkte natuursteen, vooral in de sokkel
van gevels, poortomlijstingen enz. Opus sectile, Lat.:
tweekleurig vloermozaïek met geometrische patronen. Oranjerie, sinds de Barok
langgerekte kas op de begane grond, meestal met vensterdeuren.
Oratorianen, naar Lat. 'orare',
bidden, spreken: leden van een vereniging van seculiere
priesters. Bedoeld wordt vooral de door de H. Philippus Neri
(1515-1595) gestichte gemeenschap in Rome.
Oratorium
(gebedsplaats), in het christelijk Latijn de term voorkapel.
Orchestra, rond
gebied onderaan de zitplaatsen voor het toneel van een Grieks
theater. Orden, in de antieke
architectuur de verschillende organisatiestructuren van de
verhoudingen die de gebouwen van de Dorische, Ionische en
Korintische
Oriëntalisme, bijzondere
vorm van het algemene exotisme in de Europese kunst.
Oriëntalistische stromingen ontstaan door de
reisbeschrijvingen, de wetenschappelijke en groeiende
toeristische ontsluiting van het Midden-Oosten, en
culmineren in de 19e eeuw in de Franse schilderkunst. De
thema's variëren van zedenbeelden, realistische en
imaginaire landschappen tot taferelen uit het dagelijkse
leven. Origine, Lat.
provenir, voortkomen, de herkomst van een kunstwerk; de geschiedenis
van het eigenaarschap van een werk sinds de creatie ervan.
overbrengen, de techniek van het overbrengen van een tekening op een
te beschilderen oppervlak door langs de contouren gaatjes te prikken
en de gaatjes te bestuiven met houtskool of krijt waardoor de
tekening achterblijft op het te beschilderen oppervlak. Ornaat, Lat. 'ornatus',
uitrusting, sieraad, kleding: feestelijke ambtsdracht van de
hoogwaardigheidsbekleders van de christelijke kerken. Ornament, Lat. ornare:
versieren, versierend motief dat kan geschilderd, ingelegd of
plastisch gevormd kan zijn. Het geheel van versieringsmotieven van
een bepaalde periode, stijl of meester wordt ornamentiek genoemd.
Een ornament is in de eerste plaats een begeleidend clement en heeft
zodoende niet direct een eigen inhoud. In principe kunnen we
onderscheid maken tussen geometrische en plantkundige ornamenten. De
ornamentiek van de Renaissance wordt gekenmerkt door een regelmatige
geometrische ordening. Vaak gebruikte ornamenten zijn: de arabeske,
plastisch weergegeven bladeren en ranken, bijvoorbeeld de acanthus,
en de moreske, vlak ornament, gestileerde bladeren en bloemen). Na
1520 zien we ook de groteske, zie aldaar, en verder het rolwerk,
motieven die aan de randen omkrullen. Orthogonaal,
rechthoekig, met loodrecht op elkaar staande lijnen. Orthostaat,
rechtopstaande steen, over het algemeen versierd, die de sokkel van
een muur bekleedt.
Ottomanen of Osmanen:
Turkse dynastie van sultans, stichters van en heersers over het
Turkse Rijk, ca. 1300-1922. Ontstaan uit de puinhopen van de
Seldsjoekenstaat in Oost-Turkije, breidde het rijk zich zeer snel
uit, en op het hoogtepunt van zijn macht in de zestiende eeuw
omvatte het Syrië, Mesopotamië, Arabië, de landen in de Kaukasus,
Turkije en Egypte; semionafhankelijk waren heel Noord-Afrika, de
Balkan en het grootste deel van Hongarije.
Ovidius, 43 v.Chr.-18
n.Chr.: eigenlijk Publius Ovidius Naso, Oud-Romeins dichter.
Hij is de schrijver van de 'Metamorfosen', een verzameling
Griekse en Romeinse sagen en van een beschrijving van de
schepping tot de imperiale ordening van de augustijnse tijd. |
17-01-2012 |