|
KNOSSOS Woonplaats van koning Minos en gevangenis van de Minotaurus De stad moet al bewoond geweest zijn in Neolithische tijden, 6000-5000 v.C.. Het was de eerste Griekse stadstaat. Hier ligt de oorsprong de Griekse kunst en godsdienst. De Minoërs hadden hier met elementen van culturen uit Indus-vallei, Mesopothanië en Egypte een eigen beschaving ontwikkelt. Deze hadden hun voorspoed te danken aan de vruchtbare grond van rivierdalen. Kreta had een veel ruimere weg naar voorspoed, namelijk de Middellandse Zee. Onze westerse beschaving vindt hier zijn wortels. In 1900 begon de Britse archeoloog op Kreta met opgravingen. De twee belangrijkste terreinen zijn tot nu toe Knossos en Phaistos. Prachtige paleizen getuigen van een hoog cultureel peil. Het paleis van Knossos met de prachtige troonzaal, hallen, trappen en voorraadkamers doet ons geloven in de legende Van de Griekse held Theseus die de Minotaurus, half mens en half stier dat in een labyrint leefde, versloeg. Inderdaad lijkt de plattegrond op een labyrint. Om een rechthoekige lichtschacht liggen een aantal gebouwen. Ze bestaan uit enige verdiepingen. Elk gebouw heeft weer een lichtschacht, gangen, hallen, trappen, werkplaatsen, ontvangstruimten, woonvertrekken, bestuurskamers en voorraadruimten. Licht en temperatuur bepaalden de ligging van de vertrekken. Verder waren er sanitaire voorzieningen, verwarming met heet water, badkuipen en toiletten met spoeling. De verering van de Minoërs voor de stier blijkt volop uit de beeldjes en de afbeeldingen. Ze blonken uit in de fresco’s en het aardewerk. Afbeeldingen gaan veelal over dansen en vertier, vieren van oogstfeesten en stierspringen. Voor het vastleggen van inventarissen en andere gegevens hadden ze een schrift dat uit 90 tekens bestond. HET PALEIS Openingstijden: elke dag van 8.00-19.00 uur. The Palace at Knossos is the largest (it covers an area of
20,000 square metres) and most spectacular of all the Minoan palatial
centres. It has all the typical features of the architectural type
established in ca. 1700 B.C.: four wings arranged around a rectangular,
central court, oriented N-S, which is actually the nucleus of the whole
complex. The east wing contains the residential quarters, the workshops
and a shrine. The west wing is occupied by the
storerooms with the large pithoi (storage jars), the shrines, the
repositories, the
throne room and, on the upper floors, the banquet halls. The north
wing contains the so-called "Customs House", a lustral basin
and the stone-built theatral area. The South Propylon is the most
imposing building in the south wing. A second, paved courtyard to the
west of the palace, equipped with the "processional ways"
(narrow causeways), was probably used for religious ceremonies. The
palace had many storeys, it was built of ashlar blocks and its walls
were decorated with splendid frescoes, mostly representing religious
ceremonies. |
30-10-2011 |