|
LUCCA, naar overzicht
Toscane
Voor
de Romeinen was Lucca (Etr. luk = moeras) al een vestiging van de Liguriërs en
lag in een moerasgebied buiten Etrurië. De Romeinen hebben er een kolonie
gevestigd en de plaats Luca genoemd. De stad lag op een kruispunt van Romeinse
wegen. Aan het stratenplan is nog te zien dat het een Romeinse legerplaats,
castrum, is geweest.
In de tijd van de Longobarden, 6e eeuw, was Lucca de hoofdstad van de provincie
Tuscia. Rond 1100 werd Lucca een vrije commune. In de twee eeuwen daarna
verrezen er veel kerken en gebouwen. Het was dan ook een tijd van grote
welvaart. In de 14e eeuw kwam het enkele keren in handen van Pisa. Tegen het
einde van deze eeuw werd het een republiek, geregeerd door een raad van ouderen,
Consiglio degli anziani. De stad kwam tot nieuwe bloei. In Florentijnse stijl
werden er paleizen gebouwd. In de 16e eeuw kwamen er nieuwe stadsmuren met elf
bastions.
In de napoleontische tijd werd een deel van een middeleeuwse wijk afgebroken en
daarvoor in de plaats kwam Piazza Napoleon.
In 1847 kwam het bij het groothertogdom van Toscane en later trad het toe tot de
nieuw gevormde Italiaanse staat.
San Michele in Foro
Deze kerk staat op het oude Romeinse forum. Ondanks een tweehonderd jaar durende
bouwperiode bereikte de Romaanse basiliek San Michele in Foro nooit de geplande
hoogte. Daarom steekt de met marmer beklede voorgevel, met daarop het grote
beeld van de aartsengel Michaël, zo hoog boven de midden- en zijbeuk uit. De
bijnaam is afgeleid van het plein dat ooit als forum van de Romeinse kolonie
diende. De benedenverdieping is ingedeeld met arcaden, voorzien van gekleurde,
ruitvormige incrustatie. Plastische zuilen ondersteunen de kostbaar versierde
dwerggalerijen van de bovenste gevelzone en de top. De meerkleurige incrustatie
benadrukt de eenheid van de geveldecoratie, waarvan de originaliteit wordt
bepaald door de kostbaar gebeeldhouwde zuilenschachten, kapitalen en consoles.
Meester Guidetto uit Como verbond hier begin 13e eeuw decoratie-elementen van
zijn Lombardische geboortestreek met de vormentaal van de Pisaanse Romantiek
San Frediano
In de 6e eeuw stichtte Fredianus, een van oorsprong Ierse bisschop en de
stadspatroon van Lucca, in de buurt van het antieke theater een eenvoudige kerk,
die in het begin van de 12e eeuw in Romaanse stijl verbouwd werd en in 1147 werd
gewijd. Opdat de voorgevel de stadsmuur niet zou raken, werd deze bij
uitzondering naar het oosten verplaatst. Drie eenvoudige portalen met hoge
boogvelden tonen nog het oorspronkelijke ontwerp van de drieschepige basiliek.
Door de latere uitbreiding met zijkapellen kwamen de twee flankerende assen
erbij.
Mozaïek
In de 13e eeuw werd het middenschip verhoogd en de hoge topgevel werd met een
gouden mozaïek versierd. Rond 1230 werden hiervoor Byzantijns geschoolde
arbeiders van de beroemde schilderswerkplaats van de Berlinghieri aangetrokken.
Het mozaïek toont de 'Hemelvaart van Christus'. In het bovenste gevelveld zit de
verrezen Christus in een zogeheten mandorla, gedragen door twee engelen.
Daaronder bevinden zich de zichtbaar opgewonden apostelen in antieke gewaden.
Aan hun symmetrische ordening ontbreekt het middelpunt, omdat de figuur van
Maria later plaats moest maken voor een spitsboogvenster.
Interieur
De drieschepige binnenruimte zonder dwarsschepen is, ondanks de latere
uitbreiding, een van de mooiste voorbeelden van de Romantiek in Lucea. Twaalf
zuilenparen, overeenkomstig het aantal apostelen, dragen de goed
geproportioneerde arcades van het middenschip. Composietkapitelen zijn Romeinse
spolia uit de 4e eeuw; de andere kapitalen stammen gedeeltelijk uit de
12e en de 15e eeuw. De nu onversierde wand van het midden- schip was
vermoedelijk met fresco's beschilderd. Boven een kroonlijst bevindt zich de
bovenste verdieping met haar regelmatig geordende vensters. In de 13e eeuw werd
deze verdieping 3,30 m ver- hoogd. Omdat de oorspronkelijke proporties van de
vroegchristelijke basilieken werden aangehouden, kreeg de ruimte een andere
verhouding tussen breedte en hoogte (1:2), wat overeenkomt met de verhoudingen
van de dom van Pisa.
Zijkapellen
De tussen de 13e en 16e eeuw gebouwde zijkapellen zijn grafkapellen van de
belangrijke families van Lucca en daarom met kostbaar beeldhouwwerk en
schilderijen gedecoreerd. In de zogenaamde Zita-kapel bevinden zich de relieken
van de gelijknamige stadsheilige. Bij de San Frediano hoorde oorspronkelijk een
groot klooster. In de 16e eeuw vormde dit het centrum van de in Lucca
aanvankelijk gedulde aanhangers van de Reformatie. Pas later trokken ze bijna
allemaal naar Genève om aan de vervolging door de Inquisitie te ontkomen.
Doopvont
Voor een lunet van gekleurd, geglazuurd terracotta, die rond 1510 werd gemaakt
in de werkplaats van de Florentijnse beeldhouwerfamilie della Robbia en die een
'aankondiging' voorstelt, staat de grote Romaanse doopvont die in de 18e eeuw
verwijderd werd en pas in 1952 weer werd opgesteld. De doopvont werd halverwege
de 12e eeuw gemaakt. Hij bestaat uit een rond bekken met een centrale
middenpijler, die versierd is met een gestileerde weergave van stromend water,
waaruit een naakte jongeling en een zeemonster opduiken. Daarboven staat een
schaal, met maskers waar water uit stroomt. De schaal is voorzien van een door
zuilen gedragen koepel, die gedecoreerd is met afbeeldingen van de maanden en
symbolen van de evangelisten. Meerdere kunstenaars hebben aan de schepping van
dit werk bijgedragen. Zo zijn de figuren van de maanden en de apostelen op de
koepel van de hand van een klassiek geschoolde Toscaanse beeldhouwer. De
taferelen met veel figuren aan de onderkant van het bekken komen daarentegen
overeen met de temperamentvolle stijl van een Lombardische meester. Ze geven
momenten uit het leven van Mozes weer. Erg fraai is het reliëf van de 'Doortocht
door de Rode Zee': hier lijken de soldaten van de farao op middeleeuwse ridders.
Een derde, Byzantijns beïnvloede kunstenaar heeft zijn naam -'Robertus
Magister'- achtergelaten. Van hem is de Christusfiguur: een goed herder met het
lam op zijn schouder, omgeven door apostelen, heiligen en profeten.
Romeins amfitheater
Dit theater uit de 2e eeuw na Chr. is in de loop van de eeuwen omgevormd tot
een om een plein, de oude arena, gelegen huizenrij. Via een boog komt men op dit
plein.
Dom
San Martino
Deze 6e-eeuwse kerk werd in de 8e eeuw benoemd tot bisschopszetel. In
1060 zette men er een nieuwe kerk neer, die tussen de 12e en de 14e eeuw
een groots opgezette verbouwing beleefde.
Voordat de toonaangevende meester Guidetto uit
Como, die zich in een plastiek onder de rechterzuil van de eerste galerij heeft
vereeuwigd, de marmeren voorgevel in 1204 kon voltooien, moest hij zijn plannen
op de al aanwezige 69 m hoge campanile afstemmen. Dat verklaart de asymmetrie
van de sierlijk aandoende gevel, die tegen de weerbarstige, tweekleurige in
travertijn en baksteen uitgevoerde toren lijkt te leunen. De voorgevel is in
twee zones verdeeld. Op de benedenverdieping geven drie bogen toegang tot het
voorportaal, waarvan de afsluiting mogelijk een topgevel als die van de San
Michele in Foro had moeten krijgen.
Elke zuil is afzonderlijk plastisch gedecoreerd: draken, leeuwen, menselijke
figuren en geometrische patronen in reliëf en in zwart en wit marmer wisselen
elkaar af. Boven de arcaden zijn plantaardige ornamenten en diermotieven te
zien, die aan patronen van de beroemde zijden stoffen van Lucca doen denken. Aan
de portalen bevinden zich opmerkelijke reliëfs met scènes uit het leven van de
heilige Martinus, de heilige Regulus en Christus.
Te bewonderen kunstwerken zijn:
In linkerzijportaal in de westgevel
Door de meervoudige onderverdeling en de kleuren maakt het portaal een gesloten
indruk. Vooral van belang zijn de plastisch bewerkte elementen. Net als bij de
andere portalen sieren reliëfs van rond 1260 de bovendorpel en het
timpaan. Op de bovendorpel zijn de aankondiging, de geboorte van Christus en de
koninklijke aanbidding weergegeven. Minstens zo levendig en vol uitdrukking als
deze gebeurtenissen uit het leven van Christus zijn de figuren van de
kruisafname in het timpaan. Overeenkomstig de christelijke iconografie hebben de
drie Maria's en de gelovige mannen zich rond het graf verzameld. De armen van
Christus zijn reeds losgemaakt, terwijl Nicodemus juist de voeten bevrijdt.
Tegelijkertijd omvat Jozef van Arimatea het lichaam van de Heer en laat het op
zijn schouder glijden. De beeldhouwer, die in de kring rond Nicola Pisano moet
worden gezocht, wist op bewonderenswaardige wijze door de ordening van de
figuren in het timpaan de emotionele uitdrukking te vergroten. Zo wordt het
gewicht van de dode Christus door de weinig ruimte overlatende omlijsting nog
versterkt. Het gelaat van Christus lijkt vredig, hij lijkt bijna te glimlachen.
Jozef van Arimatea kijkt gespannen en toch liefdevol toe. De soldaat aan de
rechterkant heft nieuwsgierig zijn hoofd, alsof hij onder de indruk is van
hetgeen waarvan hij zojuist getuige is geweest.
In rechterportaal het tussen reliëf
De ontwerper van het rechterportaal, de zogenaamde Regulus-meester, heeft
halverwege de 13e eeuw ook het reliëf tussen de portalen gemaakt. Onder de
taferelen uit het leven van de heilige Martinus is een serie afbeeldingen met
de maanden van het jaar te zien, die in een gelijkmatige reeks arcaden
kleine werkende figuurtjes tonen. In bijzonder aantrekkelijke voor- stellingen
voeren ze de dagelijkse werkzaamheden van de betreffende maanden uit. In januari
wordt het vuur verzorgd, in februari wordt er gevist, in maart worden de
wijnstokken gesnoeid, in april wordt er gezaaid, in mei gaat de ridder met
bloemen op zoek naar een bruid, in juni wordt het graan geoogst, in juli
gedorst, in augustus geoogst, in september worden de druiven geperst en in
oktober de wijnvaten gevuld. Geploegd wordt er in november en geslacht in
december. In de zwikken van de arcaden zijn de bijbehorende dierenriemtekens te
herkennen. Bekoorlijk in deze reliëfs is het contrast tussen de glanzende, bijna
turkooizen achtergrond en het wit van de druk gebarende figuren
Ruiterstandbeeld van de heilige Martinus en de bedelaar
Bij dit beeldhouwwerk gaat het om een van de zeldzame levensgrote middeleeuwse
ruiterstandbeelden in Italië. Het werk werd rond 1240 gemaakt voor de voorgevel
van de dom, waar het nu door een kopie is vervangen. De lichtgebogen houding en
rug van de bedelaar maken de nederige onderworpenheid aan de edele ruiter
duidelijk.
Volto
Santo, tussen 1170 en 1220 hout, h 250 cm
In een achthoekig, elegant tempeltje -het werk van de belangrijkste
renaissancebeeldhouwer uit Lucca, Matteo Civitale (1436-1501)- bevindt zich de
'Volto Santo', het 'Heilige Gelaat'. Dit 'Heilige Gelaat' verwijst naar een
'Christus Pantocrator'-voorstelling, waarin Christus als wereldheerser wordt
afgebeeld. Gezicht, haren en baard zijn streng en symmetrisch weergegeven. Een
lange, gegorde tuniek, colobium, en de loodrecht gespreide armen
benadrukken de opbouw in symmetrische assen van de figuur. Geen lichamelijk
lijden, maar een triomfantelijke overwinning op de dood en het geloof in
wederopstanding staan in dit werk voorop.
De legende gaat terug op de helige Nicodemus, die een crucifix uit het cederhout
van Libanon sneed voor een 'vera ikon', een 'echte afbeelding van Christus'. De
icoon bleef lang verborgen en zou in 782 in een schip zonder bemanning aan de
noordkust van Toscane bij Luni zijn aan- gekomen en vervolgens door onbekenden
in een ossenwagen naar Lucca zijn vervoerd. De notenhouten figuur van de 'Volto
Santo' hoort bij een groep Romaanse crucifixen die tussen 1170 en 1220 gemaakt
zouden zijn. De figuur gaat stilistisch mogelijk terug op een verloren gegaan
ouder altaarstuk dat in de Middeleeuwen vanuit Syrië in Toscane kwam. In de
Middeleeuwen werd de legende van het kruis van Lucca in alle Europese landen
bekend. Zo liet koning Willem II zijn eed gewoonlijk vergezeld gaan van de
woorden 'per sanctum Vultum de Lucca'. Ook in Franse minneliederen dook een
'Saint Vaudeluc' op. Zijn afbeelding kwam voor op de wapens van Vlaamse
kooplieden en Dante Alighieri noemt hem in het XXIe gezang van de hel. Elk jaar
wordt op 13 september de kostbaar versierde 'Volto Santo' in een processie door
de stad gedragen. Alle ramen en arcaden worden dan door ontelbare kleine
lichtjes verlicht.
Praalgraf
van Ilaria del Carretto door Jacopo della
Quercia (ca.
1374-1438), , ca. 1406-1408 marmer, 88 x 205 cm (sacristie)
Op 8 december 1405 stierf Ilaria del Carretto, tweede vrouw van Paolo Gulnigi,
signore en stadsheer van Lucca, bij de geboorte van haar tweede kind. Ter
herinnering aan haar liet haar man door de jonge Siënese beeldhouwer Jacopo
delta Quercia tussen 1406 en 1408 een van de mooiste praalgraven van het
Quattrocento vervaardigen. Het monument bevindt zich nu in de sacristie. De
beeldhouwer uit Siena en zijn medewerker Francesco di Valdambrino drukten in dit
vroege werk in marmer indrukwekkend de jeugd en de schoonheid van de jong
gestorven vrouw uit. Ilaria ligt op een vrijstaande sarcofaag. Aan haar voeten
waakt, als teken van een over de dood heenreikende trouw, een klein hondje. Ze
draagt een hooggesloten gewaad met plooien die de natuurlijke bevalligheid van
haar figuur benadrukken. Vooral het gelaat van Ilaria gaf Delia Quercia
indrukwekkend weer. De duidelijk gotische stijl die in dit vroege werk opvalt,
verbindt zich harmonieus met de vormen van de tombe, die de Renaissance al
aankondigen. Het doodsbed wordt omgeven door tien naakte, 'levenslustige' putti
met strakke guirlandes, die voor het eerst sinds de Oudheid in een dergelijke
maatvoering en met zo'n autonomie zijn weergegeven.
Altaarstuk
Het Laatste Avondmaal, van Tintoretto,
Capella della Liberta
Opgericht als herinnering aan de bevrijding van de Pisaanse overheersing,
standbeeld van Johannes de Doper.
Madonna
In de sacristie een
tronende Madonna met
kind en de heiligen Petrus, Clemens, Sebastiaan en Paulus. (Klik
op Panel Paintings!) Kunstenaar Domenico
Ghirlandaio, rond 1479.
Le Mura - de stadsmuren
Het imposante, tot nu toe volledig intact gebleven verdedigingscomplex in Lucca
is het laatste van de in totaal vier complexen in de geschiedenis van de stad,
na de Romeinse, de Longobardische en de 'gemeentelijke' muur. Omdat de bestaande
muren door de uitvinding van nieuwe oorlogsmachines niet meer voldeden, werden
er in Lucca in de loop van de 15e eeuw op regelmatige afstand van elkaar nieuwe
bolwerken voor kanonnen in een vooruitgeschoven positie gebouwd. Toen in het
midden van de 16e eeuw de bekendste architecten van militaire bouwwerken met de
bouw van een nieuwe muur begonnen, werden deze bastions in het ontwerp
opgenomen. Rond 1650 was het zeer dure bouwsel, ongeveer zes miljoen stenen
later, gereed. De muren hebben een gezamenlijke lengte van 4,2 km en bestaan uit
elf aarden wallen, die aan de basis tot 30 m breed zijn en aan de buitenkant tot
12 m hoog met stenen werden bekleed. Aan de buitenkant volgde een 30 m brede
gracht en daarna nog een aarden wal ter bescherming. Deze muren hebben echter
nooit stand hoeven houden tijdens een belegering; ze hebben alleen het water van
de Serchio in 1812 moeten keren. De inwoners van Lucca zijn er zeer trots op dat
hun stad nooit onder de heerschappij van de Medicigroothertogen is gekomen en
maken daarom ook nu nog onderscheid tussen wie fuori of dentro le mura,
buiten of binnen de muren van Lucca, geboren is.
Een wandeling, Giro della Mura, op 12 m hoogte,
aanbevelenswaardig vanwege het mooie uitzicht over de stad.
Palazzo Mansi nu Pinacoteca Nazionale
De familie Mansi liet haar 17de eeuwse paleis, dat aan de buitenkant
relatief eenvoudig is, een eeuw later verbouwen. Vanbinnen werd het paleis van
bijzonder veel pracht en praal voorzien, met een exclusieve balzaal en een
buitengewoon luxueuze bruidskamer. Nu is de Pinacoteca Nazionale in het Palazzo
Mansi gevestigd. Zwaartepunten zijn de 16c-eeuwse Venetiaanse en de 18c-eeuwse
Vlaamse en Florentijnse schilderkunst. Het grootste gedeelte was een geschenk
van groothertog Leopold II aan de stad Lucca naar aanleiding van de inlijving
bij het groothertogdom Toscane.
Bekend werk is:Portret van een jonge man, Pontormo (1494-1557), ca.
1522/1525 olieverf op paneel, 85 x 61 cm
Dit portret toont een persoon in een klassieke heerserspose. Fier rechtop, met
zijn ene hand op zijn heup en zijn andere hand op een balustrade, kijkt de jonge
man ons zelfbewust aan. ondanks deze houding lijkt het lichaam in de mantel, die
bijna het hele doek vult, tegen de zwarte achtergrond te verdwijnen. Alleen de
wijdte en de dominante kleur van de mantel geven de jonge man volume. De houding
van zijn hoofd en zijn blik en mimiek zijn jeugdig en zelfbewust, maar
tegelijkertijd ook wat onzeker. De pose, de mantelbehandeling en de
gezichtsuitdrukking zijn daarmee in een eigenaardige tegenspraak, die
karakteristiek is voor Pontormo's anticlassicistische, maniëristische manier van
schilderen.
Giorgio Vasari schrijft in de biografie van Pontormo dat het hier om een
natuurgetrouwe weergave gaat van de jonge Alessandro de'Medici. Buitenechtelijke
zoon van de De'Medici-paus Clemens VII, die op dat moment dertien jaar oud was.
Alessandro werd jaren later in 1537 als tiranniek heerser van Florence door zijn
vader vermoord.
Museo Nazionale in Villa Gulnigi
Paolo Gulnigi regeerde vanaf het begin van de 15e eeuw dertig jaar lang over
Lucca. in het centrum van de stad bezat hij reeds een groot paleis, het Palazzo
Gulnigi, toen hij buiten de middeleeuwse muren een door een prachtige tuin
omgeven tweede domicilie liet bouwen. Na een grondige restauratie werd de Villa
Gulnigi in 1968 in gebruik genomen als Museo Nazionale. Het uitgestrekte,
tweekleurige complex van baksteen, met zuilengalerijen op de benedenverdieping
en op witte pilaren steunende vensters van een triforium op de eerste
verdieping, herbergt nu een omvangrijke antiekverzameling en representatieve
kunstwerken in alle genres van de Middeleeuwen tot de 18e eeuw.
Etruskische grafvondsten
Van bijzondere betekenis in de uitgebreide en indrukwekkende verzameling van
het Museo Nazionale zijn de grafvondsten van een Etruskisch grafcomplex dat in
1892 aan de Rio Ralletta ten zuiden van Lucca in het voormalige moeras van
Bientina werd blootgelegd. Het gaat hierbij om een Attische krater en gouden
sieraden van hoge kwaliteit: oorringen, grote sierspelden, fibulae voor het bij
elkaar houden van kleding, verschillende hangers en gedreven plaatjes.
Voor het maken van granulaat, de kleine gouden bolletjes voor de granulatie,
smolten de Etrusken gouddeeltjes tussen fijngestampt houtskool bij ongeveer 1100
'C. Die goudbolletjes werden vervolgens met loog en regenwater gewassen en
daarna gesorteerd. Vaak waren ze niet groter dan 0,1 mm. Alleen met heel fijn
dierlijk haar werden deze kleine korreltjes, meestal zonder de gebruikelijke
hulpmiddelen, zoals aan elkaar gesoldeerde draden of ingekraste groeven, tot
allerlei ornamenten of figuren verwerkt. Voor het solderen werd een basisch
kopercarbonaat gebruikt, het zogenaamde chrysokoll, een 'goudlijm' die
voornamelijk in malachiet, een smaragdgroen mineraal, voorkomt.
Tafelkruis
van Berlinghiero Berlinghieri (ca. 1175/1180-vóór 1236), tafelkruis,
ca. 1220 tempera op paneel, 175 x 140 cm
Zeer goed bewaard gebleven is het beschilderde houten kruis van de schilder
Berlinghiero Berlinghieri uit Lucca, dat de signatuur 'Berlinghieri Me Pinxit'
draagt.
Berlinghiero schilderde Christus aan het kruis in opgerichte houding met een
rijkversierde lendendoek. Het gezicht wordt omlijst door een met bergkristal
bezette aureool. De grote ogen kijken de toeschouwer direct aan. In deze staande
houding -niet hangend en lijdend aan het kruis- vertegenwoordigt hij niet de
'Christus patiens', maar de 'Christus triumphans', en daarmee degene die de dood
heeft overwonnen. Nadat in het vroege christendom kruisiging en passie door het
kruis en het lam werden gesymboliseerd, besloot het concilie dat keizer
Justinianus II in 691 bijeengeroepen had, dat de gekruisigde Christus zélf
weergegeven moest worden. Het was de taak van de schilder de levende Christus,
die door zijn lijden de verlossing bracht, aanschouwelijk te maken. De
tafelkruisen die vervolgens ontstonden, werden onderdeel van de iconostase: de
van de oosterse kerk overgenomen scheidingswand tussen de leken- en koorruimte,
die met iconen bedekt was en door drie deuren werd onderbroken. Tot in de 14e
eeuw bleef de iconostase een gebruikelijk onderdeel van de kerk.
Specialiteiten
Farro, een bonensoep; wijn, de witte Montecarlo of de rosso delle colline
Lucchesi. De olijfolie van Bertolli is bijzonder.
APT. Azienda di Promozione Turistica
Piazza Guidiccione 2 – CAP 55100 LUCCA - Tel.: 0039 0583 491 205.
Fax: 0039 0583 490 766. -
E-mail:
aptlucca@lucca.turismo.toscana.it
Uw accommodatie
in Lucca kunt U goed
boeken via
Booking.City.Lucca. Er zijn 51 hotels online boekbaar. Laagste
prijsgarantie! Makkelijk reserveren. Geen kosten. Let ook op de
beoordelingen door gasten die de hotels bezochten! U kunt de ligging van de
hotels via Google Earth bekijken!
Hotels nabij Bedrijf, Monument, Oriëntatiepunt, Populair gebied, Stadion of
Arena, Treinstation:
ILM Pisa //
Leaning Tower of Pisa - etc.
Hotels op / nabij luchthaven:
(Afstanden zijn hemelsbreed gemeten. Reisafstanden kunnen groter zijn)
Galileo Galilei (PSA) 18.2 km -
Peretola (FLR) 57.9 km
Hotels in de populairste steden rondom Lucca:
San Macario In Piano 5.4 km -
Santa Maria del Giudice 6.4 km -
Lammari 7.6 km -
Santo Stefano 7.9 km -
San Giuliano Terme 8.4 km - etc.
Omgeving
BARGA met de
Duomo San Cristofano
Het schilderachtige stadje Barga ligt op een heuvel midden in het Serchio-dal.
Sinds de Middeleeuwen was het een belangrijk landbouwkundig en ambachtelijk
centrum, dat bovendien bekend was om zijn zijden stoffen. Hoog boven de plaats
ligt, op een groot arringo-plein met uitzicht op de stad, de Dom San Cristofano.
Al in de 10e eeuw was hier een kleine zaalkerk ontstaan, die in de 14e eeuw door
middel van een voorportaal tot de huidige omvang werd vergroot. Gelijktijdig
werd de voormalige noordwand naast de getande toren in een voorgevel veranderd.
De muren van travertijn en de eenvoudige decoratie stammen nog uit de 11e eeuw.
Het fries in de Lombardisch-Romaanse stijl heeft vlakke consoles en een
decoratie van menselijke en dierlijke figuren. In de kerk is het marmeren altaar
zeker een bezichtiging waard. Dit altaar werd rond 1250, nog voor het tijdperk
van de Pisani's, gemaakt. Westportaal
Het mooie westportaal
dat naar de zestredige trap voert, werd rond 1200 aan de dom toegevoegd. Vooral
opmerkelijk is het reliëf op de bovendorpel, tussen de twee leeuwenconsoles,
waarop een wijnoogst is afgebeeld.
Kansel
Van Guido Bigarelli, ca. 1250 marmer
De Romaanse ambo -een met de koorstoel verbonden kansel- in het middenschip van
de drieschepige kerk is rijk met reliëfs en figuren versierd. Dit bijzondere
werk geldt als een van de belangrijkste kansels van Toscane voor de komst van
Nicola Pisano. Tussen de jaren 1250 en 1256, toen de kerk tot parochiekerk met
dooprecht werd benoemd, werd dit waarschijnlijk door een kunstenaar uit de
werkplaats van Guido Bigarelli in Lucca vervaardigd. Op leeuwen en steunpilaren
rusten 'vier roodmarmeren zuilen, waarvan de antiek aandoende bladkapitelen en
een kapiteel met een adelaar de balustrade van de kansel dragen. De kansel heeft
drie lessenaars. De lessenaar aan de linkerkant wordt ondersteund door een
adelaar, het symbool van de evangelist Johannes. Onder vormen de symbolen van de
overige evangelisten een pijler, een zogenaamde tetramorf. We zien de
engel van Mattheus in het midden, de stier van Lucas aan de ene en de leeuw van
Marcus aan de andere kant. De lessenaar aan de koorzijde wordt gedragen door een
sculptuur van de heilige Christoforus, de lessenaar aan de rechterkant door een
figuur van Johannes de Doper.
Maria Boodschap en geboorte van Christus
Detail van de kansel door Guido Bigarelli,
Op dezelfde, bijzonder beeldende en krachtige manier zijn taferelen uit de jeugd
van Christus op de overige balustradevelden uitgevoerd. Vooral indrukwekkend is
het reliëf op de balustrade van het middenschip. Onder diepe arcaden zijn hier
de 'Maria-Boodschap' en de 'Geboorte van Christus' uitgebeeld. Een zwaar,
blokachtig lichaam en een strenge fysionomie kenmerken de figuren, die het hele
kader vullen. Hun gebaren en lichaamstaal laten een heldere eenduidigheid zien.
Liefdevol wordt er getoond hoe de os en de ezel het kind in de kribbe
besnuffelen. Zelfs de scène waarin de maagden het eerste badje voor de
pasgeborene klaarmaken, is hier nadrukkelijk op de voorgrond -en niet als
bijzaak- weergegeven. De compositie, de ordening en de frontale afbeelding van
de, figuren doen denken aan de boekverluchting uit dezelfde tijd.
Vila Reale di Marlia
Ligt 8 km noordelijk. Er omheen liggen prachtige tuinen uit de
17e eeuw. Men ziet er bloemperken, citroenbomen, een nymfaeum en een
openluchttheater.
Dagelijks, behalve maandags, is er een rondleiding van een uur om 10, 11, 15,
16, 17 en 18 uur.
Villa Mansi
Ligt 11 km noordoostelijk. Heeft een gevel vol beelden. Er
omheen ligt een schaduwrijk park.
Geopend, behalve op maandag: 9.30-13 uur en 14.30-19 uur.
Villa Torrigiani
Is een zomer residentie van een vroegere markies, 12 km
noordoostelijk, liggen prachtige tuinen met waterpartijen, grotten en nymfaea.
Geopend van 9-12 en 14.30-18.30 uur.
Pietrasanta
De belangrijkste plaats van de Versilia, de tot de provincie Lucca behorende kuststrook, een
centrum van marmerverwerking. Het stadje
is vooral bekend door de vervaardiging van marmeren beelden.
|