|
PIËMONTE,
culinaria en steden
naar regio overzicht van
Piëmonte
Inleiding
Het 'land aan de voet van de berg', zoals de vertaling van
Piëmonte luidt, weet vooral in de herfst te bekoren, als de bladeren verkleuren
en nevelflarden door de dalen en over de heuvels drijven. Dit is de beste tijd
om in de bossen naar truffels en andere kostelijke paddestoelen te zoeken, noten
te rapen en kaarde te plukken, op jacht te gaan of bij de poelier de keuze aan
vers wild te bewonderen. 's Avonds zetten de Piëmontesen zich met vrienden aan
de open haard, voeren lange gesprekken en trekken daarvoor een goede fles open.
De keuken van Piëmonte mag dan geraffineerde trekken hebben, eigenlijk is hij
geworteld in een robuuste, landelijke kooktraditie die op de eigen kracht van
eersteklas bestanddelen vertrouwt. Truffels, knoflook, wild en knapperige
groente, maar ook kaas en rijst vormen de pijlers van de Piëmontese
specialiteiten.
De herfst is ook de tijd van de wijnoogst. Piëmonte heeft
met een reeks uitstekende wijnen wereldfaam verworven. Barolo, barbaresca en
barbera zijn slechts drie van de namen die garant staan voor opperbeste
kwaliteit. Toch zijn er in de Piëmontese kelders nog wel andere schatten te
ontdekken: de streek brengt ook exquise mousserende wijnen voort, die zich met
de beste champagnes kunnen meten. Een veelgehoorde bewering is dat de keuken van
Piëmonte nauw verwant is met de Franse cuisine, maar dat is niet meer dan een
culinaire halve waarheid. Eerder kunnen we spreken van Franse invloeden in de
Piëmontese gerechten en Piëmontese invloeden op de Franse keuken. Er is namelijk
al 800 jaar sprake van een levendige uitwisseling, zo lang al maakt Piëmonte
deel uit van het Savooise conglomeraat van gebieden die tegenwoordig tot
Frankrijk, Zwitserland en Italië behoren. Het Savooise dialect dat hier
gesproken werd, was Frans getint en dus duiken er in de Plëmontese kookboeken
nog altijd culinaire uitdrukkingen met een francofoon verleden op. Fumèt staat
voor gerookt, civet betekent aftreksel of kookvocht en het woord cocotte
verwijst naar een gietijzeren kasserol. Maar daar is nogmaals nog lang niet mee
gezegd dat de keuken van Piëmonte een aftreksel van de Franse is. Daarvoor is
het aantal oorspronkelijke specialiteiten te groot: bagna caoda (verse
Piëmontese groenten met een pittige ansjovissaus), rijstgerechten zoals risotto
alla piemontese, paniscia di Novara en ten slotte kaas van internationale allure
als de gorgonzola of castelmagno. Stuk voor stuk ontdekkingen die men zijn
smaakpapillen niet mag onthouden.
Castelmagno
▲
De castelmagno is op en top
Piëmontees. Deze blauwschimmelkaas met wettelijk beschermde herkomstaanduiding
(DOC) wordt uitsluitend in de plaatsen Castelmagno, Pradleves en Monterosso
Grana in de provincie Cuneo geproduceerd. De ware castelmagno is gemakkelijk aan
zijn handelsmerk te herkennen: de bovenzijde draagt een kleine driehoek met
daarin de gestileerde letter C. Net als zijn veel bekendere verwant gorgonzola,
kan ook de castelmagno terugkijken op een indrukwekkend verleden, want de kaas
wordt al uitdrukkelijk vermeld in het protocol van een rechtszitting uit 1277.
Het oordeel luidde toen dat voor het gebruik van weideland dat de gemeenten
Castelmagno en Celle di Macra elkaar betwistten, een jaarlijkse vergoeding
gegeven moest worden aan de markgraaf van Saluzzo - in de vorm van kaas uit
Castelmagno. Dankzij de zin voor traditie van de kaasmakers smaakt de
castelmagno nog bijna precies zo als in de 13e eeuw. Het is een houdbare kaas
met slechts 34% vet in droge stof, meestal uitsluitend gemaakt van koemelk, al
kan hij ook kleine hoeveelheden gedeeltelijk ontroomde schapen- of geitenmelk
bevatten. Men stremt de kaasmelk eerst en hangt hem op in doeken om de wei weg
te laten lopen. Daarna rust de wrongel enkele dagen in houten vaten en wordt
vervolgens in vormen geperst. Daarna moeten de kazen nog twee tot vijf maanden
in goed geluchte grotten doorbrengen.
Een jonge castelmagno heeft
een wat rode korst en een ivoorkleurig binnenste. Hij smaakt licht zout met een
zweempje noot. Een rijpe castelmagno heeft een donkerrode tot grijze korst en
zijn okergele binnenste is duidelijk van blauwgroene schimmeladeren doortrokken.
De smaak is uitgesproken en pikant.Welke graad van rijpheid de kaas ook heeft,
de castelmagno is een uitstekende kaas voor aan tafel, die het best met
acaciahoning en een versterkte wijn geserveerd kan worden.
Gorgonzola
▲
Is een van ltaliës bekendste exportartikelen. De kleine,
meestal in zilverpapier gewikkelde punten gaan in het hele westelijk halfrond
bij kaasboeren over de toonbank. Net als vele andere kazen is gorgonzola een
DOC-product, maar zijn stamland is wel vele raden groter dan van bijvoorbeeld de
castelmagno. Gorgonzola mag komen uit provincies die deels in Lombardije, deels
in Piëmonte liggen: Bergamo, Brescia, Como, Cremona, Cuneo, Milaan, Novara,
Pavia en Vercelli. Tegenwoordig is een groot deel van de kaasmakers in het
Piëmontese Novara gevestigd.
Met zijn 48% vet in droge stof is de gorgonzola een
volvette koemelkkaas. Vroeger werd hij gemaakt van ongepasteuriseerde melk, maar
daar is men omwille van de hygiëne van afgestapt. Aan de melk worden
fermentatiebevorderende stoffen en, de schimmel Penicillium glaucum toegevoegd.
Om de schimmel gelijkmatig in de kaas te laten trekken helpt men de sporen een
handje door eerst aan de ene kant en een week later aan de andere kant met lange
roestvrijstalen pennen in de kazen te prikken. De gorgonzola rijpt twee á drie
maanden in grotten met een temperatuurregulering of in daarmee overeenkomende
opslagruimten.
Gorgonzola doet het uitstekend als tafelkaas. Geef hem als
voorafje of, samen met wat brood en een krachtige rode wijn, als nagerecht. Ook
in de keuken bewijst hij goede diensten. Risotto, sauzen, vullingen en farces
krijgen een prachtig aroma als u er wat gorgonzola door kruimelt.
Truffels
▲
De Romeinen hielden al van truffels. In De re coquinaria
(Over de kookkunst), een culinair standaardwerk uit de Oudheid dat wordt
toegeschreven aan de Romeinse fijnproever Marcus Gavius Apicius, staan enkele
recepten die truffels voorschrijven. We mogen er dus van uitgaan dat een
gastmaal in de hogere kringen met enige regelmaat door deze edele paddenstoel
opgeluisterd werd.
De Romeinen geloofden dat truffels onder bomen groeiden die
Jupiter, god van de natuurkrachten, met zijn bliksem getroffen had. Tegenwoordig
weten we weliswaar dat de truffel een ondergronds groeiende paddenstoel is, die
in symbiose leeft met het wortelstelsel van eiken, populieren of hazelaars, maar
die kennis heeft ons geen stap verder geholpen in de pogingen de paddenstoel
kunstmatig te vermeerderen of zelfs te telen, wat met verwanten als de
champignon geen enkel probleem vormt. Zelfs als je eikenwortels met
truffelsporen prepareert, duurt het nog altijd zo'n tien jaar tot de paddenstoel
rijpt. En dus blijft de liefhebber aangewezen op de professionele
truffelverzamelaar, de trifulau, zoals hij in Piëmonte heet, en moeten er nog
steeds hoge bedragen voor de paddenstoel neergeteld worden.
Het bosrijke Piëmonte is een klassiek truffeldomein. Hier
groeit de witte truffel (Tuber magnatum), ook wel bekend als Alba-truffel. Het
is de geurigste en meest gevraagde truffel ter wereld. Kronieken berichten hoe
de heersers van Acaja in het jaar 1380 een zekere prinses Bona enkele witte
truffels schonken. Een paar jaar eerder schijnt Karel V tijdens de belegering
van Alba een flinke portie van deze delicatesse tot zich genomen te hebben. Nog
altijd breekt in oktober in Langhe, het heuvelland rond Alba, de truffelkoorts
uit. Dan rijpen de eerste witte truffels.
De witte truffel, Tuber magnatum, gartuffo bianco of
Alba-truffel genoemd, is de meest begeerde soort. Hij heeft een doordringende
geur die duidelijk naar knoflook zweemt, maar ook aan oude kaas doet denken.
Deze truffel wordt rauw gebruikt en met een speciale schaaf direct boven het
gerecht in plakjes gesneden. De paddenstoel past bij risotto, ei, pasta of rauw
rundvlees. De witte truffel is gelig, grijs of licht okerkleurig en heeft een
onregelmatige bolvorm. Het vruchtvlees is roodbruin en heeft opvallende witte
adertjes.
Tot en met 31 december, het einde van het truffelseizoen,
doet Alba zijn toch al niet geringe reputatie als wijn- en delicatessencentrum
verdere eer aan met een culinair vuurwerk van adembenemende truffelgerechten. Er
bestaan rond de vijftig truffelvariëteiten, maar slechts enkele daarvan zijn
eetbaar. Omdat de truffel ondergronds groeit, is hij moeilijk te verzamelen.
Alleen al het afbakenen van een veelbelovend stuk bos vergt een goede speurzin
en de nodige kennis van zaken, die elke trifulau voor zich houdt. Mag het een
wonder heten dat sommigen geprobeerd hebben het geluk met magische praktijken
een handje te helpen? In Langhe is het truffelzoeken dan ook met de nodige
geheimzinnige verhalen, anekdoten en rituelen omgeven.
Verreweg de meeste trifulau laten de magie voor wat zij is
en stellen hun vertrouwen in de speciaal afgerichte bastaardhonden met hun
onbetaalbare fijne neus. Zoeken met varkens is ook mogelijk, maar omdat deze
dieren zich moeilijk laten africhten, heeft een zoeker grote moeite ze ervan te
weerhouden hun buit ter plekke zelf naar binnen te werken. Honden houden
weliswaar ook van truffels, maar meestal gaan ze wel in op de ruil die hun
baasje hen in het vooruitzicht stellen en staan ze de truffels af voor een paar
koekjes.
Wanneer maanstand, barometer en nog subjectievere
graadmeters op gunstige voorwaarden wijzen, gaat een Piëmontese truffelzoeker
liefst in het holst van de nacht op jacht naar de geurige delicatesse, omdat
zijn hond zich dan namelijk het best op zijn reukzin kan oriënteren. In het
ochtendgloren keert het paar dan terug naar Alba met de bemodderde witte
truffels, die tussen de 50 en 100 gram wegen. Hier onderhandelt de trifulau met
plaatselijke gourmets, koks en hoteleigenaars over de waarde van zijn vondst.
Afhankelijk van de aanvoer kan de prijs per 100 gram moeiteloos € 125 tot € 200
bedragen.
Vlees en gevogelte
▲
De keuken van Piëmonte is bepaald afwisselend, soms zelfs
op het overdadige af. De Piëmontesen bereiden bijvoorbeeld een van de beroemde
Noord-Italiaanse klassiekers, bollito misto, niet met een of twee soorten vlees,
maar altijd met vier of meer. Een bollito zonder rundvlees of kip is ondenkbaar.
Deze basisversie van het gerecht valt echter met kapoen en rundertong te
veredelen.Wie op zoek is naar een representatievere invulling, kan het niet
zonder kalfstong en kalfsschenkel stellen. Voor de ware bollito miste is naast
de genoemde vleessoorten kalfskop, varkenspootjes en cotechino, een pittige
kookworst van varkensvlees vereist. De bereiding van bollito is een stuk
eenvoudiger dan het inkopen doen: de stukken vlees worden een voor een of
gegroepeerd naar soort en grootte in een pan gedaan en zolang in water gekookt,
tot ze zacht en gaar zijn. Alleen de worst gaat in een andere pan. De stukken
vlees worden in plakken gesneden, met de worstjes gegarneerd en opgediend met
bagnet verd (een groene saus van peterselie, knoflook, ansjovis en olie) en
bagnet d'tomatiche (een zoetzure tomatensaus) of met een mostarda di Cremona
(scherpe gekonfijte vruchten in mosterdsiroop).
Maar niet alleen gekookte, ook gestoofde vleesgerechten
zijn erg geliefd in Piëmonte. Bue brasato is een typisch Noord-Italiaans
gerecht. Het wordt gemaakt van rundvlees, dat met groente, kruiden en krachtige
rode wijn langzaam gaar gestoofd wordt. De naam van het gerecht is een
verwijzing naar deze bereidingsmethode: brasato komt van het Noord-Italiaanse
woord brasa, steenkool. Vroeger werd de stoofpan op de kolenkachel gezet en om
de warmte gelijkmatiger te verdelen bedekte men ook de deksel van de pan met
gloeiende kolen.
Grissini
▲
In tegenstelling tot de gestandaardiseerde fabriekswaar
kunnen grissini van een kleine warme bakker op de hoek een lengte van 70 cm
bereiken. Om ze mooi lang, dun, rond en gelijkmatig te maken, moet men precies
weten hoever het deeg uitgerekt kan worden.
Ze zijn gemaakt van tarwebloem, water, gist en wat zout. Om
ze lekker knapperig te krijgen moet alle lucht uit het deeg gekneed worden.
Als de grissini uit de oven komen, mogen ze hooguit
doorbakken, maar zeker niet te donker zijn. Handgemaakte grissini smaken veel
beter dan de voorverpakte broodstengels uit de fabriek.
In 1860 droeg het Savooise Huis zijn grondgebied, bestaande
uit Nice en Savoye, over aan Frankrijk en kreeg in ruil daarvoor de
koningstitel. Korte tijd later werd Vittorio Emanuele II tot koning van Italië
gekroond. Afgezien van de binnenlandse onlusten waar het eenwordingsproces mee
gepaard ging, maakte hij zich ook zorgen om zijn zoontje. De prins was namelijk
een slechte eter, mekkerde over het eten en had vooral een hekel aan brood. De
geraadpleegde lijfarts vermoedde dat aan de prinselijke tegenzin een
spijsverteringsstoornis ten grondslag lag en vroeg de hofbakker daarom een
licht, krokant gebakken brood zonder zachte kruim te bakken. De hofbakker dacht
na en kwam ten slotte op een lange, dunne en gemakkelijk te breken witbroodstaaf
die door de lange baktijd bijzonder licht verteerbaar was. De overlevering
vermeldt niet of dit baksel de prins hielp zijn aversie tegen brood te
overwinnen, maar het vond wel navolging onder een groot aantal Turijnse bakkers,
die al snel wedijverden over de vraag wie de langste en dunste broodstengels uit
de oven wist te toveren. Intussen hebben deze grissini in heel Italië een vaste
plaats verworven op de eettafel. Natuurlijk zijn het ook niet meer alleen de
Turijnse bakkers, vooral grote broodfabrieken, die de stengels in een sterk
gemechaniseerd procédé bij tonnen tegelijk uitspuwen. Critici van de vacuüm
verpakte broodstengels wijzen echter telkens weer op de flauwe smaak ervan en
betrekken hun grissini liever van een ambachtelijk werkende bakkerij, waarvan er
in Turijn en omgeving gelukkig nog enkele zijn.
Dolci
▲
De leden van het Savooise Huis hielden altijd al van fijn
gebak. Naar het schijnt werden de savoiardi, een soort lange vingers, in 1348
voor het eerst gebakken door een keukenmeester die zijn broodheren een plezier
wilde doen. Omdat de langwerpige koekjes niet alleen bekend zijn in Piëmont,
maar ook in andere streken die ooit tot de Savoye behoorden, kan ook een stad
als het FranseYenne deze specialiteit voor zich opeisen.
De ontstaansgeschiedenis van zabaione of zabaglione is
evenmin volledig opgehelderd. Sommigen beweren dat die in de 16e eeuw is
uitgevonden door Bartolomeo Scappi, een baanbrekende renaissancekok. Anderen
stellen daar de bewering tegenover dat de naam van deze schuimige vla verwijst
naar de Heilige Pasquale Bayon. De Piëmontese volksmond trekt San Pasquale Bayon
namelijk bij voorkeur samen tot Sanbajun, waar men met enige fantasie zabagliun
in zou kunnen horen. Het naamsfeest van deze heilige wordt in Turijn elk jaar op
7 mei gevierd en in 1722 werd hij zelfs tot schutspatroon Van de Associazione
cuochi di case e famiglie gekozen.
Confiserie
▲
Sinds de conquistadores van hun ontdekkingsreizen door het
westen niet alleen de mare van een Nieuwe Wereld, maar ook de cacao meevoerden,
is Europa in de greep van de chocolade koorts. Natuurlijk konden Cortez en zijn
mannen begin 16e eeuw niet weten wat voor enthousiasme een onooglijke boon los
kon maken. Toch had de cacaoboon binnen enkele decennia onze gebruiken, mode en
genotmiddelenconsumptie ingrijpend veranderd. In de 17e en 18e eeuw was cacao zo
wijdverbreid, dat de Florentijnen of Venetianen in alle schenkerijen van hun
stad warme chocola konden drinken. Dat was ook de tijd waarin Piëmont, vooral
zijn hoofdstad Turijn, zich tot een belangrijk cacao- en zoetwarencentrum
ontwikkelde. Dat lokte rond 1800 zelfs leergierige Zwitsers als Francois Cailler
naar de streek. De bekendste banketbakkers van Italië -Peyrano, Streglia,
Feletti, Talmone en Caffarel- komen allemaal uit Piëmont. Aan Caffarel hebben we
de uitvinding van de beroemde Turijnse hazelnootpraline gianduiotto te danken.
Die werd tijdens het carnaval van 1865 gecreëerd als een toespeling op het
traditionele theatermasker Gianduja, een van de herkenningstekens van de stad.
De ware giuandaiotto bestaat uitsluitend uit cacao, suiker, vanille en
hazelnoten.
In elke vruchthuls van de cacaoboom (neobrema cacao) gaan
30 tot 50 witte zaden schuil, de zogenaamde cacaobonen.Voor ze tot verschillende
eindproducten verwerkt kunnen worden, moeten ze gefermenteerd, geroosterd en tot
een bruin poeder vermalen worden.
Het maken van chocolade
▲
De groenblijvende cacaoboon, kan acht meter hoog worden.
Zijn roodachtige bloemen zijn verbluffend klein vergeleken bij de grote,
komkommerachtige, geel of rood gekleurde vruchten die direct aan de stam of
hoofdtakken ontspruiten. Cacaobomen hebben dan wel een warm tot zeer warm
klimaat nodig, ze zijn niet bestand tegen direct zonlicht. Vooral de
kiemplantjes zijn aangewezen op de schaduw van andere planten. Tegelijkertijd
verlangen cacaobomen een hoge luchtvochtigheid. Zo'n tien jaar oud moet de boom
zijn voor hij volop vruchten draagt. De vruchten rijpen ongelijkmatig, zodat er
elke vier tot zes weken geoogst moet worden. Onder de halfharde, geribbelde
schil bevindt zich suikerhoudend vruchtvlees, dat de cacaobonen omhult. Men hakt
de pas geoogste vruchten open en haalt de dertig tot vijftig witachtige zaden
eruit. Deze cacaobonen komen in een grote ton om het aanhangende vruchtvlees te
laten gisten. Hierbij komen de eerste smaakstoffen vrij. Daarna worden de bonen
gedroogd en als ruwe cacao voor verdere bewerking doorgestuurd. Elders roostert
men de bonen, schilt en vermaalt ze tot een brij, het cacaobrood.Voor
chocolademelk en bakproducten is licht tot sterk ontvet cacaopoeder nodig. Dat
wordt verkregen door de brij te persen en zo van de cacaoboter te ontdoen. De
achtergebleven koek wordt gemalen. Een basisrecept voor chocolade vraagt om
cacaopoeder, suiker, cacaoboter, melkproducten (geëvaporeerde melk of
melkpoeder) en smaakstoffen als vanille of kaneel. Deze ingrediënten worden
eerst in een melangeur, een mengmachine, grondig gemengd. Vervolgens moet de
brij een etmaal op een temperatuur tussen 25 en 50° C rijpen, waarbij hij een
deegachtige consistentie krijgt: ruwe chocolade, te gebruiken voor eenvoudige
chocoladeproducten. Voor de fijnere chocoladerepen komt de brij echter in een
zogenaamde conche. Daarin zitten rollen die de brij bij een temperatuur van 60
tot 85° C een paar dagen achtereen walsen, zodat de smaakstoffen optimaal
verdeeld worden en in de emulsie opgaan. Vervolgens koelt men de massa af tot 28
'C en verdeelt hem over hem over de mallen.
Bron
▲
Is Culinaria Italia, Könemann. ISBN: 3-8290-2903-9. U vindt hier ook
een keur van recepten behorend bij bovengenoemde producten. Prachtig
geillustreerd werk!
Vercelli
▲
Is de hoofdstad van de gelijknamige provincie, de Sesia.
Museo Borgogna bewaart schilderijen. In het Museo Leone ziet u
schilderijen en oudheden. De dom heeft een bibliotheek met kostbare
handschriften. De S. Andreakerk vormt met de aansluitende
cisterciënzerabdij een geheel. Het is een van de weinige Italiaanse voorbeelden
van de overgangsperiode tussen Romaanse en gotische stijl. De S. Cristoforo
heeft op het hoofdaltaar een fraaie madonna van Giovanni Ferrari.
Asti
▲
Is de hoofdstad van de gelijknamige provincie. Asti is het
centrum van een groot wijnbouwgebied, Asti-wijnen, waaronder Asti
spumante. De stad heeft een gotische bakstenen kathedraal uit de 14de
eeuw, met Romaanse campanile, een 12de-eeuws baptisterium met daarnaast
een kerk, S. Pietro, uit 1467, de kerk S. Secondo en diverse middeleeuwse
verdedigingstorens van adellijke families.
Als Hasta Pompeia werd Asti in de 1ste eeuw v.C. een Romeins municipium.
Sinds de vroege middeleeuwen was Asti een van de belangrijkste zelfstandige
republieken van Opper-Italië. In 1155 werd de stad door Frederik I Barbarossa
verwoest.
Novara
▲
Is de hoofdstad van de gelijknamige provincie, aan de
Agogna, ten westen van Milaan. Het cartografisch en
geografisch instituut Agostini is bekend. Galleria d'Arte Moderna heeft
voornamelijk Italiaans kunst. Verder is er het Museo
Lapidario. De Dom heeft een koepel van Alessandro Antonelli. In het baptisterium
ziet u Romaanse fresco's. De S. Gaudenziokerk heeft een
19de-eeuwse, 112 m hoge koepeltoren.
Arona
▲
Ligt in de provincie Novara, aan het Lago Maggiore. Centrum van
toerisme. De S. Maria di Loreto dateert uit 1592. Kapittelkerk uit de 15de tot
17de eeuw. Vlakbij de kerk is een reusachtig, uit koper en brons vervaardigd
beeld van Carolus Borromaeus, hier geboren.
Acqui Terme
▲
Is een badplaats in de provincie Alessandria. De plaats, gelegen in
het dal van de Bormida, is reeds sinds de Romeinse tijd, Aquae Statiellae,
bekend om haar hete zwavelbronnen, 75 °C, en om het Balneologisch
laboratorium. Uit de Romeinse tijd dateren resten van baden en van een
aquaduct. De kathedraal, met Romaanse kruisgang, dateert uit de 11de eeuw.
Internet:
www.regione.piemonte.it
|