|

Circus Maximus op de Via Appia, aanvang 4de eeuw n. Chr.: reconstructie
Hoe groot de hartstochtelijke liefde voor de paardenrennen was kunnen we
opmaken uit de overvloed van de zeer gedetailleerde getuigenissen die ons
zijn overgeleverd en ons in staat stellen om in de geest een wedstrijd van
2000 jaar geleden opnieuw te beleven.
Rome had vier renbanen,
om alleen de belangrijkste te noemen: het Circus Maximus, de oudste van allemaal, kreeg zijn werkelijke aanblik in 329 v.
Chr. door de aanbouw van de « carceres », de stallen, waar de
architectonische ontwikkeling van het circus geleidelijk aan op volgde. In
221 v. Chr. werd het Circus Flaminius gebouwd; in de eerste eeuw die van
Caligula en Nero, en tenslotte die van Maxentius op de Via Appia.
De renbanen hadden een lange, smalle, U-vormige piste; op de middellijn
was een basement, de « spina », ruggengraat, waarop beelden, obelisken,
enz. stonden. De zittrappen bevonden zich aan de lange zijden en aan de
halfronde korte zijde; de andere korte zijde werd ingenomen door de
carceres geflankeerd door twee torens.
Het Circus Maximus
was het grootste en het beroemdste, het kon ongeveer
250.000 mensen bevatten; op de spina bevonden zich de twee grote
obelisken, waarvan er nu een op de
piazza del Popolo staat en de ander op
de piazza San Giovanni in Laterano. Het Circus Maximus was 600 m. lang en
200 m. breed. De buitenkant werd gevormd door een constructie van drie
boven elkaar liggende arcaden bekleed met marmer. Onder de arcade van de
benedenverdieping waren taveernen, winkels, enz. Binnen benam de
grootsheid van het circus de adem: de eerste rang van de « cavea »,
zitrijen, was van steen, terwijl de twee bovenrangen van hout waren.
Aan de ronde zijde
vormde een triomfboog met drie poorten de ingang, die
keizer Domitianus in 81 n. Chr. had laten oprichten ter ere van Titus. Aan
de tegenoverliggende zijde bevonden zich de carceres of stallen van
waaruit het startsignaal voor de wedstrijd gegeven werd. De spina was 214
m. lang en de wagenmenners moesten er zeven keer omheen, wat betekende dat
het een parcours van 1600 m. was. Aan het uiteinde van de spina bevonden
zich de « metae » en zeven bronzen eieren en zeven dolfijnen. Op de spina
stonden, behalve de reeds genoemde obelisken, de tempeltjes van de god
Consus en de godin Pollentia en andere beelden van godheden, die de
wedstrijden goed gezind waren. Ten tijde van Julius Caesar en Augustus
werden hier ook spelen met olifanten gegeven en naar aanleiding hiervan
liet Caesar het circus niet alleen uitbreiden, maar voorzag de piste ook
van een, met water gevulde, sloot om de toeschouwers te beschermen. Uit de
talrijke overleveringen kunnen we opmaken, dat het Circus Maximus 240
dagen van het jaar in gebruik was, zo groot was het aantal feestdagen of
gezochte voorwendselen van de Romeinen om de paardenrennen in alle
mogelijke variaties te laten plaatsvinden. De wagenmenners moesten niet
alleen goede ruiters zijn, maar ze moesten ook uitblinken in
evenwichtsoefeningen, zoals het verspringen van het ene paard op het
andere bij de tweespanrennen. Soms moesten ze in volle galop een
kledingstuk van de grond oprapen, of staande op het paard de wedstrijd
rijden. Op alle mogelijke manieren probeerden ze de wedstrijd moeilijker
en dus spannender te maken.
We weten, dat er onder Augustus twaalf wedstrijden per dag waren; onder
Caligula 34 per dag en onder de Flaviers liefst honderd.
Alle Romeinen en alle bezoekers
van Rome gingen naar het Circus. Het was
een ontmoetingspunt van het maatschappelijk leven, zelfs voor de keizer.
De paardenrennen in het Circus waren zo populair, dat ze de meest
voorkomende motieven in de Romeinse figuratieve kunst werden. Mozaïeken,
bas-reliëfs, beelden en zelfs sarcofagen gaven de voorstelling weer, zowel
in zijn geheel, als in afzonderlijke scènes en figuren. De beroemdste
renstallen droegen de kleuren rood, wit, groen en blauw; bekwame jockeys
werden met goud betwist. Ook al waren zij van eenvoudige afkomst, ze
werden snel beroemd en rijk. In korte tijd, hoogstens in zes of zeven
jaar, bezaten ze verbluffend grote vermogens. In ca. 150 n. Chr. hield een
zekere Diocles, na 3000 tweespan- en 1450 vierspanwedstrijden te hebben
gewonnen, op met een fortuin van 35.000.000 sestertiën, wat nu overeenkomt
met een bedrag van vele miljoenen. We moeten niet vergeten dat de roem van
de jockeys niet alleen te danken was aan, fysieke prestaties, maar ook
aan de risico's die ze tegemoet gingen; inderdaad stierf de meerderheid
van hen in de bloei van zijn leven. De paarden werden bijzonder goed
verzorgd en gedresseerd, ze hadden allemaal hun pedigree en hun
ereoorkonde.
** Terug naar
Rome
** Hoe maak ik een
printversie van
de pagina"?
** Door tekengrootte
te wijzigen
kunt u de leesbaarheid van de tekst
sterk verbeteren.
** Zie ook onze boeken pagina
eens.
** Homepage
: Stedentips voor Trips
** Met het vernieuwde zoekveld kunt u zoeken in "Stedentips".
|