Rond PIAZZA della ROTONDA, alleen uit de wirwar van smalle straten en stegen is nog af te leiden dat er in deze wijk ooit voornamelijk arbeiders woonden. Tegenwoordig vindt men hier de Beurs en tal van andere financiŽle instellingen. Naar  regio Latium en Rome.  Naar Stedenlijst ItaliŽ. Naar  Regiokaart ItaliŽ. Naar uw accommodatie!

    

Het historisch belangrijke Palazzo di Montecitorio
is de zetel van het Italiaanse parlement en in andere gebouwen in de buurt zijn verschillende overheidsinstanties ondergebracht. Het middelpunt van de wijk is de beroemde

Piazza della Rotonda,
het plein voor het Pantheon, dat in de Middeleeuwen werd aangeduid als dat ronde ding, rotonda. Midden op het plein staat een in 1575 door Giacomo della Porta vervaardigde marmeren fontein, waarop paus Clemens XI in 1711 een obelisk uit de Isistempel liet plaatsen. Het labyrint van smalle straten in de omgeving van het plein herbergt prachtige gebouwen en ongewone monumenten, zoals de indrukwekkende voet van een reuzenbeeld uit de Oudheid of de Fontanelia del Facchino, sjouwer, bij de Banco di Roma, een van de statue parlanti van Rome.

In de Oudheid maakte deze wijk deel uit van het Marsveld.

Tijdens het bewind van keizer Augustus verrezen hier onder meer het gebouw dat voorafging aan het Pantheon, de Thermen van Agrippa, omgeven door een uitgestrekt park met een kunstmatig meer, de monumentale Saepta Iula, terrein voor openbare manifestaties, en zuilenhallen met beroemde kunstwerken, maar van al deze bouwwerken is bijna niets bewaard gebleven. Na in het jaar 80 n.C. door een verwoestende brand in de as te zijn gelegd, werd het district onder latere keizers herbouwd en vond er een uitbreiding in noordelijke richting plaats.

Uit de tijd van keizer Hadrianus stamt het Pantheon, 

een van de beroemdste gebouwen uit de geschiedenis van de Europese bouwkunst. Antoninus Pius liet de tempel voor de vergoddelijkte Hadrianus bouwen en keizer Marcus Aurelius werd na zijn dood geŽerd met een monumentale zuil op de Piazza Colonna. Met de zuil van Marcus Aurellus eindigt de antieke geschiedenis van de wijk, waar tot de Middeleeuwen maar weinig mensen woonden.

De invallen van de Goten en de belegeringen door de Longobarden 

in de 6de eeuw maakten het noodzakelijk de stad anders in te delen. Er werden meer woonhuizen op het Marsveld gebouwd. Deze ontwikkeling zette zich in de Middeleeuwen voort, toen zich in de omgeving van nieuw gestichte kerken als S. Maria Sopra Minerva veel mensen uit de lagere sociale regionen vestigden. Tijdens de stedenbouwkundige vernieuwingen onder de renaissancepausen werd dit deel van het voormalige Marsveld min of meer met rust gelaten, maar in de tijd van de Barok, en ook later, in de 18de eeuw, werd het verrijkt met tal van nieuwe gebouwen, zoals de kerken Il Gesý, S. Ignazio en La Maddalena en paleizen als het Palazzo Montecitorio, het Palazzo Doria Pamphill en het Palazzo Borghese.

Gevel van het Pantheon
Pantheon   
Aan de Piazza della Rotonda staat een van de best bewaard gebleven en fascinerendste bouwwerken van het oude Rome, zie de afb. De inscriptie op de architraaf vertelt dat Agrippa, de schoonzoon van keizer Augustus, de eerste bouwheer was. Hij had in 27 v..C. een rechthoekige tempel laten bouwen ter verheerlijking van de keizer en zijn familie. Volgens de overlevering wilde Augustus echter niets weten van een aan hemzelf gewijde tempel en liet hij zijn standbeeld heel bescheiden in de portiek plaatsen.

Het gebouw werd bekend als het Pantheon
maar de betekenis van die naam is niet duidelijk. Vermoedelijk was de tempel gewijd aan de planetengoden, vooral Mars en Venus, de beschermgoden van het Julisch-Claudische Huis. Daarop duidt de symbolische vorm van de koepel als hemelgewelf, met de ronde opening in het midden voor de zon.
Na de brand van 80 n. C. liet keizer Hadrianus
de tempel in 118-125n.C. herbouwen. Dat is het gebouw zoals wij het kennen, een architectonisch meesterwerk dat als stralend voorbeeld heeft gediend voor met name de kunstenaars van de Renaissance. Dat het Pantheon zo goed bewaard is gebleven, is te danken aan het feit dat het in 608 door de Byzantijnse keizer Phocus aan paus Bonifatius III werd geschonken.
Deze wijdde het gebouw een jaar later op 1 november in als kerk, de S. Maria ad Martyres.

In de loop der eeuwen is het Pantheon beschadigd geraakt door aardbevingen, overstromingen en menselijk toedoen, maar het is steeds opnieuw gerestaureerd. In 663 liet keizer Constantijn II de vergulde bronzen dakpannen naar Constantinopel overbrengen en in 1632 gaf paus Urbanus opdracht het bronzen plafondbeslag van de portiek om te smelten om er het baldakijn van Bernini in de Sint-Pieter en kanonnen voor de Engelenburcht van te kunnen laten maken.
Het Pantheon is ontworpen als een rond gebouw
met een porticus. in de Oudheid, toen het straatniveau veel lager lag, voerde een langgerekt, door zuilengangen geflankeerd voorplein via een bordes naar de drieschepige porticus, waarvan de voorkant bestaat uit acht monolithische granieten zullen met Korintische marmeren kapitalen.
Een machtige bronzen deur

geeft toegang tot het cirkelvormige interieur, dat een doorsnede heeft van 43,20 m en precies even hoog is. Men kan zich de koepel voorstellen als de bovenste helft van een bol, waarvan de onderste helft is vervangen door de cilindervormige onderbouw van het gebouw. Die onderbouw bestaat uit een 6,20 m dikke, drie geledingen tellende bakstenen muur met blinde ontlastingsbogen. Hierop rust een vlakke kalot. De buitenkant was oorspronkelijk bekleed met zandsteen en de koepel was bedekt met vergulde bronzen platen.
Interieur
Bij het betreden van het Pantheon  kan men niet anders dan onder de indruk raken van het interieur met zijn monumentale eenvoud en volmaakte harmonie, die terug te voeren is op het feit dat de afstand van de vloer tot de nok van de koepel even groot is als de doorsnede van de ruimte. De vloer is samengesteld uit vierkante en ronde marmeren platen. De gebruikte marmersoorten zijn dezelfde als die van de andere architecturale decoraties. De onderste geleding van de rondlopende muur vertoont afwisselend nissen met telkens twee zuilen ervoor en aedicula's bekroond met driehoekige of segmentvormige frontons. De nis tegenover de ingang krijgt extra nadruk door zijn grootte en de afwijkende lijstvoering. Daarboven ziet men de attiek, waarvan een klein gedeelte niet de 18de-eeuwe stucdecoratie vertoont, maar in zijn oorspronkelijke staat is hersteld.
In de Oudheid bestond het decor uit smalle Korintische pilasters,

waartussen vierkante blinde ramen waren aangebracht. De antieke godenbeelden die in de Romeinse tijd in de nissen en aedicula's stonden opgesteld, zijn in de loop der tijd vervangen door christelijke altaren en grafmonumenten.
Tot de historische figuren
die hier zijn bijgezet, behoort bijvoorbeeld de gezaghebbende prelaat en staatssecretaris onder paus Plis VII  Ercole Consalvi (1757-1824). Zijn grafmonument, derde nis links, werd in 1824 gemaakt door Thorvaldsen. Aan het einde van de 19de eeuw vonden enkele Italiaanse koningen, tweede nis rechts en tweede nis links, hier hun laatste rustplaats.
Waarschijnlijk het meest bezochte graf

in het Pantheon is echter dat van de grote renaissancekunstenaar Raphael, onder de derde aedicula links. Zijn gebeente rust in een antieke sarcofaag, waarboven de volgens testament door RafaŽls leerling Lorenzetto in antieke stijl vervaardigde Madonna del Sasso staat. Het grafschrift is van de hand van kardinaal Pietro Bembo, een vriend van RafaŽl, en luidt: Ille hic est Raphael, timiut quo sospite vinci, rerum maqna parens et moriente mori 'Hier ligt RafaŽl; de grote Moeder Natuur vreesde bij zijn leven door hem te zullen worden overtroffen, bij zijn dood vreest ze met hem te zullen sterven'.
Boven de cilindervormige ruimte
verheft zich als een hemelgewelf de reusachtige koepel in de vorm van een halve bol. Het is de grootste gemetselde koepel ter wereld. De binnenkant is versierd met vijf concentrische rijen van eik 28 cassetten, die vroeger bekleed waren met platen van verguld brons, zie een detail van de koepel . Ze worden naar de nok van de koepel toe steeds kleiner. De opening in het midden van de koepel heeft een doorsnede van 9 m. Hierdoor valt het licht gelijkmatig naar binnen.

Piazza della Minerva, Obelisk
   

Op de Piazza voor de kerk staat een curieus monument, bestaande uit een marmeren olifant met een obelisk op zijn rug. In de tuin van het klooster bij de S. Maria sopra Minerva werd in 1665 een uit het Isis-heiligdom afkomstige Egyptische obelisk gevonden, die de monniken op het plein voor de kerk wilden oprichten.
Als basis kozen ze de door Bernini
ontworpen olifant met het grote zadelkleed, in 1667 uitgevoerd door Ercole Ferrata. De olifant was een oud symbool van kracht, wijsheid en vroomheid, de deugden waarop de ware christelijke leer is gebaseerd. De inscriptie op de sokkel vermeldt: Documentum intellige robutae mentis esse solidam sapientiam sustinere,  begrijp uit dit symbool dat er een sterk verstand voor nodig is om de waarheid te verdragen.

S. Sopra Minerva
S. Maria sopra Minerva      
De eerste en enige gotische kerk van Rome, begonnen in 1280, staat op de plaats van de vroegere isistempel, die ten onrechte aan Minerva werd toegeschreven. Dit verklaart de bijnaam 'sopra Minerva' (boven de "nervatempel). De bouw van de Mariakerk, waarvan de architect niet bekend is, sleepte zich met diverse onderbrekingen voort tot 145 3, het jaar waarin de gotische kruisribgewelven werden voltooid. Het is overigens ook niet bekend wie de sobere renaissancegevel heeft ontworpen, waarop nog steeds de markeringen te zien zijn die aangeven hoe hoog het water van de Tiber heeft gestaan tijdens overstromingen van de 16de tot de 19de eeuw.
Van oudsher was de kerk eigendom van de dominicanen orde,
waarvan het centrale bestuur in Rome, het generalaat, was gevestigd in het gebouw links van de kerk. Hier zetelde in de 17de eeuw, de tijd van Galileo Gaillei, ook de Inquisitie. De midden in de stad gelegen en onder de hoede van de orde der predikheren vallende Santa Maria sopra Minerva was zeer geliefd bij de Romeinse bevolking.
Aan de drieschepige zuilenbasiliek
zijn in de loop van de 16de en 17de eeuw dan ook tal van zijkapellen toegevoegd, waarin een groot aantal grafmonumenten staat opgesteld. De kerk is de laatste rustplaats van verschillende pausen, de schilder Fra Angelico, die zelf lid was van de dominicanen orde, en de H. Catherina van Siena. De aangebouwde kapellen veranderden de vorm van het interieur aanzienlijk en in de 19de eeuw moest een ingrijpende restauratie de oorspronkelijke gotische ruimtelijkheid van de kerk in ere herstellen.



Altaarschildering Capella CarafaGrafkapel, Filippino Lippi
, 1457-1504   

Een door monumentale, gecanneleerde Korintische pilasters
gedragen boog geeft toegang tot deze beroemde grafkapel aan de voorzijde van het rechter transept. De in 1493 voor kardinaal Oliviero Carafa gebouwde en in datzelfde jaar gewijde kapel dankt zijn roem aan de fresco's van Filippino Lippi, die tussen 1488 en 1493 zijn gemaakt en tot de belangrijkste renaissancistische kapeldecoraties van Rome behoren.
Lippi wijdde zijn fresco's aan de moeder Gods
en de beroemde middeleeuwse kerkleraar en dominicaan Thomas van Aquino. Op de muur achter het altaarstuk, waarop de H. Thomas kardinaal Carafa toevertrouwt aan de Madonna, is De Hemelvaart van Maria te zien. De rechter zijmuur toont episoden uit het leven van de heilige en zijn apotheose.
Een opmerkelijk topografisch detail is de afbeelding

van het Lateraans Paleis met het vroeger daar opgestelde ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius, links van de troon. ten afbeelding van deugden en ondeugden op de linker zijmuur moest wijken voor het grafmonument van Paulus IV (pontificaal 1555-1559), een neef van de bouwheer, wiens naam verbonden is met de Contrareformatie en de inquisitie. Door gebruik te maken van deels echte en deels geschilderde architectuur is Filippino Lippi erin geslaagd een illusionistisch effect van ruimte te creŽren.
De muur achter het altaarstuk
lijkt zich te openen naar een spirituele wereld. De naturalistische weergave van ruimte en landschap en de gedifferentieerde mimiek en gebaren van de afzonderlijke figuren bewerkstelligen een rechtstreekse relatie met de beschouwen en zijn kenmerkend voor de schilderkunst van de vroege Renaissance. De pilasters aan weerszijden zijn versierd met grotesken. Deze kunnen worden opgevat als een vroege reactie op de omstreeks 1480 ontdekte schilderingen in de Domus Aurea.

De verrezen Christus, MichelangeloMichelangelo Bunnarroti
(1475-1564), De verrezen Christus, 1519-1521 Marmer, h. 205 cm    

Een van de kunstschatten in de kerk is het Christusbeeld links voor het hoogaltaar. Toen het op 27 december 1521 werd onthuld, vond Michelangelo het zo slecht dat hij de opdrachtgever zelfs aanbood het over te doen. De kunstenaar was in 1514 met het beeld begonnen, maar wilde er niet aan verder werken toen, hij in het gezicht een zwarte ader in het marmer ontdekte.
In 1519 besloot hij alsnog het te laten voltooien
door zijn assistent Pietro Urbano, die het beeld echter op enkele plaatsen zo verknoeide dat ook de meester zelf de schade niet ongedaan kon maken. Niettemin behoorde het Christusbeeld in de 16de eeuw tot de meest bewonderde werken van Michelangelo. De schilder Sebastiano del Piombo was er zo van onder de indruk dat hij vond dat de knie van de Christus meer waard was dan heel Rome.
Opmerkelijk is de verbinding van het christelijke thema
van de verrijzenis met het ideaalbeeld van de held uit de klassieke Oudheid: Christus is rechtopstaand en volkomen naakt afgebeeld, de bronzen lendendoek is een latere toevoeging uit de tijd van de Barok. Zijn houding vertoont een klassiek contrapposto en deze Christus heeft geen stigmata. Hij houdt met beide handen, alsof het iets kostbaars betreft, het kruis en de lijdenswerktuigen vast en brengt daarmee de vrijwilligheid van Zijn kruisdood tot uitdrukking.

Il Gesý    

De Spaanse edelman Ignatius van Loyola (1491-1556), die op 30-jarige leeftijd besloot zijn leven in dienst van de Kerk te stellen, was de stichter van de SociŽteit van Jezus, die in 1540 door paus Paulus IH als priesterorde werd erkend. Tot de regels van de orde behoorden levenslange kuisheid en armoede en de bereidheid de paus overal te dienen. De jezuÔetenorde breidde zich vanuit Rome snel uit over de rest van ItaliŽ en het katholieke deel van Europa en stichtte op verzoek van de koningen van Spanje en Portugal missieposten in Oost-IndiŽ, BraziliŽ, Kongo en EthiopiŽ. In Europa waren de jezuÔeten de belangrijkste promotors van de Contrareformatie. Ze streefden in de eerste plaats naar een innerlijke zuivering van de katholieke Kerk.
In 1550 werd besloten de kleine kerk
naast het werk- en wooncomplex van de orde - nog steeds een internationaal jezuÔetencollege - door een nieuw gebouw te vervangen. In opdracht van kardinaal Alessandro Farnese begon Giacomo Vignola in 1568 met de bouw van de nieuwe hoofdkerk van de jezuÔeten, een van de meest invloedrijke gebouwen uit de West-Europese architectuurgeschiedenis.
In Vignola's ontwerp

is het langschip van de middeleeuwse basiliek gecombineerd met de centraliserende bouw van de hoge Renaissance. Het gebouw is voorzien van een vieringkoepel en heelt als voorbeeld gediend voor een groot aantal barokkerken. Gesý  is na de dood van de architect voltooid door leden van de orde en in 1584 gewijd.
De faÁade, ontworpen door Giacomo della Porta
vertoont zowel renaissancistische als barokke elementen. De verticale verdeling door middel van pilasters weerspiegelt het basilicale karakter van het interieur. Het brede onderste deel van de gevel wordt verbonden met het smallere bovenste door weelderige  voluten
De hele middenpartij

wordt overigens benadrukt door het hoofdportaal en het grote venster in het bovengedeelte. Het accent op de middenpartij wordt bovendien architectonisch ondersteund door een krachtig reliŽf van vlakken, openingen en uitspringende pilasters, zuilen en lijstwerk. Boven de viering verheft zich een koepel waarvan de vensters worden bekroond door frontons.
Interieur

Prediking en een intensieve zielzorg door middel van biecht en het houden van godsdienstoefeningen waren de belangrijkste taken van de ordeleden. Door te kiezen voor een kruisvormig interieur kwam Vignola aan beide eisen tegemoet en schiep daarmee tevens het prototype van het Romeinse kerkinterieur.
Het zwaartepunt ligt in het middenschip,

dat samen met de viering en de apsis ťťn enorme ruimte vormt, die een groot aantal gelovigen kan herbergen. Tegenover deze ruimte voor de congregatie staan de zijkapellen, die in het teken staan van de persoonlijke aandacht, het gedenken van de doden en de biecht. Het hoogaltaar is van ieder punt in de kerk zichtbaar, zodat alle gelovigen de mis goed kunnen volgen.
Door de weelderige versieringen uit de tijd van de Barok,
een indrukwekkend samenspel van polychrome marmeren bekleding, sierstucwerk, verguldsels, fresco's en beeldhouwwerken, kan men zich nauwelijks nog een voorstelling maken van de oorspronkelijke ruimtewerking die het gevolg was van de ingetogen decoraties uit het cinquecento. Het langschip wordt aan weerszijden begrensd door peilerachtige wandgedeelten, uitkragend in entablementen waarop het tongewelf rust. Dit is voorzien van steekkappen met vensters waardoor het licht naar binnen valt. Arcaden aan weerszijden van het langschip geven toegang tot de zijkapellen. De vieringbogen dragen de cilindervormige tamboer van de koepel, die wordt afgesloten door een kalot in de vorm van een halve bol.

Andrea Pozzo (1642-1709), altaar van de H. Ignatius, 1696--1700 Marmer, brons, zilver, lapis lazuli en verguldsels

Een van de grote meesterwerken van Il Gesý is het tussen 1696 en 1700 door Andrea Pozzo vervaardigde altaar boven het graf van Ignatius van Loyola in het linker dwarsschip. In dit werk lijken de grenzen tussen schilderkunst en beeldhouwkunst en tussen werkelijkheid en illusie te zijn opgeheven. Het altaar toont de Drie-eenheid als een visioen van de heilige.
Tussen vier zullen van lapis lazuli
staat het kolossale zilveren beeld van Ignatius door Pierre Legros. Het gaat hier om een kopie: het origineel is na het Verdrag van Tolentino in opdracht van paus Pius VI (pontificaat 1775-1799) voor de herstelbetalingen aan Napoleon omgesmolten. Een summum van barokke expressivitelt is de beeldengroep van Pierre Legros aan de linkerkant van het altaar. Deze stelt de overwinning van het geloof op de ketterij voor, wat ten tijde van de Contrareformatie niets minder betekende dan de overwinning van het goede op het kwade. De personificatie van het Geloof, rechts (door Giovanni Thťodon), laat de Ketterij in de afgrond storten. De kleine putto die op een opengeslagen boek wijst, is een verwijzing naar het ware geloof. (Zie twee andere werken van hem Scultura )

Il Baciccia, Triomf van de naam van Jezus , 1676-1679 Fresco

Op verzoek van de generaal van de orde pater Olivia werd het interieur in de tweede helft van de 17de eeuw verfraaid. Wat hij wilde, was dat de gelovigen onder de indruk zouden raken en door het aanschouwen van heilige gebeurtenissen vertrouwd zouden raken met de hemelse glorie. Het beschilderen van de koepel, het tongewelf van het langschip en het apsisgewelf vertrouwde hij toe aan
Giovanni Battista Gaulli, bijgenaamd Il Baciccia
die op virtuoze wijze het typisch barokke verlangen naar een verbinding van het aardse leven met gene zijde gestalte gaf. De dynamische fresco's - in de apsis de Aanbidding van het Lam, in het langschip de Triomf van de naam Jezus en in de koepel de Engelencyclus (1676-1679) - kenmerken zich door een kunstig illusionisme. Zo lijken de vier profeten op de pendentieven onder de koepel door de knappe trompe-l'oeil- techniek op wolken te zweven, waarmee de metafysische aanwezigheid van het heilige ook nog eens als een reŽle indruk wordt meegedeeld. Het fresco in het langschip lijkt zich als een driedimensionale wereld boven de zware, door engelen van wit sierstucwerk gedragen omlijsting te bevinden.
Midden in de lichtende hemel verschijnt,
omgeven door putti, het monogram van Christus, JHS. Men ziet een groot aantal verlosten die ingaan tot het eeuwige leven en verdoemden die omlaag storten. De figuren die van buitenaf de schildering lijken binnen te zweven of er juist uit lijken te vallen, gaan vloeiend over van schilderwerk in sierstucwerk en omgekeerd. Ze wekken de indruk alsof het gewelf elk moment kan openbarsten om zicht te geven op de werkelijke hemel erachter. De beschouwer krijgt daarmee de rol toebedeeld van toeschouwer die een hemelse manifestatie bijwoont.

Palazzo Doria Pamphili    
Dit grote, zich langs vier straten uitstrekkende gebouwencomplex is het resultaat van een bouwgeschiedenis die vierhonderd jaar heeft geduurd en nauw verbonden is met de complexe betrekkingen tussen de grote adellijke families. Het oorspronkelijke paleis stamt uit de 15de eeuw en werd later eigendom van Della Rovere en in 1601 van kardinaal Pietro Aldobrandini. Via diens erfgename, Donna Olimpia Aldobrandini, die in 1647 trouwde met Camillo Pamphili, de neef van paus Innocentius X, kwam het ten slotte in bezit van de Pamphili's.
Donna Olimpia bracht een belangrijke kunstverzameling
in het huwelijk in, die aan het eind van de 17de eeuw aanzienlijk werd verrijkt door een verbintenis tussen het Huis Pamphill en de Genuese familie Doria. Deze verzameling vormde de basis van de collectie van de Galleria Doria Pamphili, ingang aan de Piazza del Collegio Romano, die meer dan 400 schilderden uit de 15de tot en met de lade eeuw omvat. Het paleis is toegankelijk via zes monumentale ingangen die samen uitkomen op vijf binnenplaatsen. De eigenlijke voorgevel met de hoofdingang en een luisterrijke vestibule met een monumentale trap werd omstreeks 1660 door Antonio del Grande gebouwd aan de Piazza del Collegio Romano.
Belangrijker echter is de gevel langs de Via del Corso,

die tussen 1731 en 1735 door Gabriele Valvassori in de stijl van het decoratieve Barocchetto, late Barok, werd gebouwd. Hier zorgen zuilen en pilasters, smalle ramen bekroond met weelderige frontons en gewelfde balkons en galerijen op alle verdiepingen voor een dynamische lijnvoering. Valvassori kreeg ook opdracht voor de overkapping van de open loggia aan de kant van de binnenplaats, waarmee extra ruimte moest worden gecreŽerd voor de kunstverzameling.
 
S. Ignazio di Loyola   
Vier jaar na de heiligverklaring van Ignatius van Loyola werd in 1626 in opdracht van kardinaal Ludovico Ludovisi begonnen met de bouw van de tweede grote jezuÔetenkerk in Rome, gewijd aan de stichter van de orde. Zoals mag worden verwacht van een orde die het katholieke geloof wil bevorderen door middel van kunst en wetenschap, leverden de jezuÔeten zelf enkele belangrijke kunstenaars voor het project.
Orazio Grassi
tekende voor het ontwerp en Andrea Pozzo voor de schilderingen in het interieur. Aangezien de viering niet werd bekroond door een koepel, schiep hij een schijnarchitectuur in trompe-l'oeil.
 
Andrea Pozzo
, 1642-1709, Apotheose van de H. Ignatius, plafondfresco

Voor de jezuÔeten was het uitzenden van missionarissen naar alle windstreken bij uitstek om de heidenen te bekeren en de triomf van de Kerk te bewerkstelligen.  Het plafondfresco van Andrea Pozzo, dat door middel van illusionistisch schilderwerk een in licht badende koepellaat zien, weerspiegelt deze gedachte: de beschouwer kijkt naar de hemel, waar de H. Ignatius het licht dat van Christus uitgaat ontvangt en doorgeeft aan de vier werelddelen, waarvan de personificaties zijn  afgebeeld in het attiekgedeelte van de schijnarchitectuur. Deze wenden zich verheerlijkt naar de heilige.
Het is immers uitsluitend aan de zendingsdrang van de jezuÔetenorde
te danken dat ze verlost zijn van ketterij en afgodendienst. In de hemel zijn dan ook, behalve een groot aantal biddende figuren, verschillende andere heiligen van de orde te zien. Door middel van een ronde tegel in de vloer heeft Pozzo de plek aangegeven waar de beschouwen moet staan om de perspectivische constructie van de schijnarchitectuur, waarin behalve geschilderde ook echte architectonische elementen zijn verwerkt, volledig tot zijn recht te laten komen.

Palazzo di Montecitorlo
    

Op de plaats waar tegenwoordig de Italiaanse volksvertegenwoordigers vergaderen, werden in de Romeinse tijd de keizers gecremeerd. Bij opgravingen zijn resten gevonden van ustrina, brandstapels. Ook vond men hier de sokkel van de zuil van Antoninus Pius, tegenwoordig in de Musei Vaticani, waarop in 1792 de obelisk op de Piazza di Montecitorlo weer werd opgericht. De obelisk van Psammetichus II (594-589 v.C.) was in 10 v.C. in opdracht van Augustus van Heliopolis naar Rome overgebracht.
Hij stond oorspronkelijk op het Marsveld,
ten westen van de Ara Pacis, en deed dienst als zonnewijzer. In 1650 begon Gianlorenzo Bernini  in opdracht van paus Innocentius X (pontificaat 1644-1655) met de bouw van het palazzo, dat echter na een lange onderbreking pas in 1694 door Cario Fonlana werd voltooid. Bernini voorzag het grote gebouw van een convex uit- gebogen gevel, die in vijf delen is onderverdeeld. De risallet, het uitspringende middelste deel, heeft een portaal met   zullen op de begane grond en een door een klokkentoren verhoogde attiek.
Bernini accentueerde de middelste verdieping

door de afwisselend segmentboogvormige en driehoekige frontons boven de ramen. Het als residentie voor de familie Ludovisi gebouwde paleis fungeerde later als 'aura innocenziana', het pauselijke gerechtshof. Toen het gebouw in 1871 werd bestempeld tot zetel van het Huis van Afgevaardigden, werd het onder leiding van Ernesto Basile aan de achterzijde aanzienlijk uitgebreid.
Zie ook de beeldhouwer Bernini

Zuil van Marcus Aurelius
(Colonna di Marco Aurelio)    

Na de dood van keizer Marcus Aurellus in 180 n.C. liet de senaat een bijna 30 m hoge zuil, voltooid in 193, oprichten, die waarschijnlijk bij een erachter gelegen tempel voor de vergoddelijkte keizer hoorde. Binnen in de zuil voert een wenteltrap naar het platform bovenop.

De spiraalvormig omhooglopende reliŽfdecoraties 

zijn gewijd aan de twee overwinningen die Marcus Aurellus aan de Donaugrens behaalde, op de Marcomannen en de Sarmaten (172-175 n.C.). Net als bij de Zuil van Trajanus worden de episoden gescheiden door een zegegodin. De stijl is echter volkomen anders: diepe uitsnijdingen zorgen voor een sterk contrast tussen licht en donker.

De figuren zijn duidelijker van elkaar te onderscheiden, 

maken zich los van het oppervlak en hebben meer volume. De afzonderlijke taferelen lijken chronologisch op elkaar te volgen en zijn schematisch weergegeven. In 1589 werd de zuil gerestaureerd door Domenico Fontana, die ook een nieuw voetstuk maakte van marmer afkomstig van het gesloopte Septizodium, een theaterachtig bouwwerk dat voor de paleizen van Septimius Severus aan de rand van de Palatijn had gestaan.

Het beeld van de keizer boven op de zuil

verving Fontana door een bronzen beeld van de apostel Paulus met zwaard. De 190 treden tellende wenteltrap maakt het mogelijk dit beeld van dichtbij te bekijken.
Bron: ROME, Kunst en Architectuur. Brigitte Hintzen-Bohlen. KŲnemann. Boek is helaas alleen nog antiquarisch verkrijgbaar! ISBN 3-8290-3108-4

** Uw accommodatie in Rome en omgeving
** U vindt bij Booking meer dan alleen hotels o.a.:
 Appartementen - Resorts  - Villa's  - Hostels  - Accommodaties met onsen - Bed & Breakfasts  - Pensions  - Motels  - Ryokans  -  Vakantieboerderijen  - Vakantieparken  - Campings  -  Botels  - Herbergen  -  Aparthotels  -  Vakantiehuizen  -  Lodges  - Accommodaties bij particulieren  -  Landhuizen  -  Luxe tenten  - Capsulehotels  -  Lovehotels  - Riads  - Luxe Chalets