|
CHINA, hoog begaafd,
naar overzicht
kunsthistorie
In geen ander deel der wereld zijn zo vroeg een groot aantal
kunsttakken op zulk technisch en esthetisch hoog peil ontstaan als in
China. De opeenvolgende dynastieën hebben de kunst gestimuleerd, sommige
kunsttakken werden door bepaalde heersers zelf beoefend. Reeds in de 11e
eeuw ontstonden verzamelingen.
Neolithicum, ca. 5000 - ca. 2000 v. Chr.
Alle prehistorische culturen aan de Gele Rivier kennen de
drievoet-kookpot, een typische gebruiksaardewerkvorm die later in het
bronsvaatwerk wordt overgenomen. In de vroegneolithische Yangshaocultuur
is het mooiste beschilderd aardewerk van de gehele prehistorie gemaakt. In
de latere Longshancultuur is reeds de pottenbakkers schijf in gebruik, en
wordt jade - 'gave des hemels' - aangewend voor sieraden.
Shangdynastie, ca. 1500-1028 v. Chr., eerste innovaties
Van deze eerste dynastische periode stamt de vroegste
paleisarchitectuur, het eerste schrift, de eerste steensculptuur,
kaolienhoudend aardewerk, en zowel technisch als qua vormgeving reeds zeer
hoogstaand bronzen vaatwerk.
Zhou, Tsjoe, ca. 1027-256 v. Chr., de roem van het brons
In deze periode van wisselende machtsverhoudingen hebben twee
wijsgeren verregaand het karakter van de gehele Chinese cultuur en kunst
bepaald : Kong-foe-tse en Laotse. Cultuur en kunst maken in deze periode
van politieke onrust overigens grote vooruitgang. In functie van de
vooroudercultus ontstaat een uitgebreid vorm repertorium van bronzen
vaatwerk : potten, schalen, kruiken, bekers voor het bereiden, bewaren en
opdienen van voedsel, water en wijn. Ongeëvenaarde techniek gaat samen met
originele vormgeving en ingewikkelde sierpatronen; opvallend zijn sommige
diervormen. Dikwijls zijn de stukken van opschriften voorzien, waardoor
nauwkeurige datering mogelijk is. Typisch voor de Chinese wijze van
esthetisch waarderen is, dat van dit vaatwerk tot in de 17e eeuw kopieën
zijn gemaakt, als een daad van artistieke piëteit; dit heeft niets te
maken met vervalsen en is in andere kunsttakken eveneens voorgekomen.
Han, 206 v. - 220 na
Chr., veelzijdige pracht
Reeds in de tussenperiode der Strijdende Staten, 474-221 v. Chr., en
de daaropvolgende 1e keizertijd, 221-207 v. Chr., stijgt het intellectueel
peil tot ongekende hoogte, en wordt de grondslag gelegd van een onder alle
opzichten degelijk georganiseerde staat. De bronsgietkunst omvat nu ook
mens- en dierfiguren bestemd als grafgift; uit recente grafvondsten zijn
ook fabelachtige vorstenlijkkleden van jade bekend. Lakwerk bereikt een
hoogtepunt en verder ontstaan: schilderkunst op zijde, - de zijdeweg
brengt China in contact met Indië - en het boeddhisme -, en met de
Middellandse Zee, steengoed, baktemperatuur 1300° C, protoporselein met
veldspaatglazuur. Dienen eveneens vermeld, naast gegraveerde en
reliëfgrafplaten, ook jade sieraden, abstraherende houtplastiek.
Naar het einde van de Hantijd toe getuigt de kunst van dit 'Rijk van het
midden' van enige aristocratische zorgeloosheid, wat dan ook de ondergang
bewerkt, die evenwel niet van definitieve aard is.
Tang, 618-907,
culturele expansie en artistieke luister
Tijdens een woelige tussenperiode dragen technische uitvindingen, houten
hang- en stenen boogbrug- gen, kanaalaanleg, bij tot een eerste vereniging
van Noord- en Zuid-China. Op artistiek gebied komt vooral de door het
boeddhisme geïnspireerde, stilistisch op de Goepta-kunst teruggaande
steensculptuur op het voorplan. De Tang breiden niet alleen hun
invloedssfeer uit, Korea, en van daar uit Japan; Indochina, westwaarts tot
Samarkand, doch stellen zich tegelijk open voor vreemde inbreng. Er heerst
grote welstand, en dank zij steeds vooruitgang makende technieken ontstaat
een echte weeldekunst.
Twee penseeltechnieken, schilderkunst en kalligrafie komen nu tot een
hoogte- punt, en het ligt bijna voor de hand dat, door het samengaan van
poëzie, schilder- en schrijfkunst als de 'schone kunsten', de
schilderkunst inhoudelijk poëtische, vormelijk sterk kalligrafische inslag
heeft. De esthetische waardenorm voor zowel schilderkunst als kalligrafie
is de penseelvoering. In de schilderkunst treffen de soms etherische
tekening en het gedempt koloriet. De Tangtijd kan niet worden
voorbijgegaan zonder te wijzen op de ook documentair belangrijke, als
grafschrift gemaakte aardewerk-figuurplastiek, vaak versierd in
'san-ts'ai' of driekleurenglazuur.
Song, 960-1279, en Yuan, 1271-1368, schitterend einde van klassieke
tijd
Van 907 tot 960 leiden boerenopstanden tot versplintering van het
Tangrijk, hetgeen niet belet dat cultuur en kunst verder gedijen.
Opvallend is dat natuurschildering grote populariteit verwerft, en dat
keramiek van steeds betere kwaliteit wordt gemaakt.
De Noord-Song, 960-1126, herenigen het rijk. Onder hun bewind wordt voor
het eerst met losse letters gedrukt. Manchuvolken overweldigen het
noorden, daarna ook de gebieden waar de Zuid-Song, 1127, heersen. Eens te
meer blijkt dat in China staatkundige troebelen geenszins artistieke
begeestering in de weg hoeven te staan. Het meest betekenisvol wordt dit
geïllustreerd in de porseleinkunst van deze periode. Op de eerste plaats
vraagt alweer de techniek de aandacht: op glazuur bakken van rood, groen
en geel, legt meteen de grondslag voor het latere polychroom porselein.
Typisch Songporselein is hoofdzakelijk monochroom, meestal blauwzwart,
diepbruin en groen. Vooral het groen is in een oneindig aantal varianten
tussen donker olijfgroen en helder blauwgroen gebruikt op borden, schalen,
kommen, dozen, vazen, kruiken. In de beroemde productie van de ovens van
Long Zuan, in Europa naderhand aangeduid als celadonporselein, ligt de
essentie besloten van alle klassieke Chinese kunst onpeilbaar poëtische
rijkdom in verfijnde eenvoud.
Naast het porselein zijn ook andere kunsttakken niet minder belangrijk in
deze periode. Met name beleeft nu de schilderkunst, gestimuleerd door de
keizerlijke academie, haar eigenlijk hoogtepunt. Van het aanvankelijk door
religie en moraal centraal geplaatst motief mens, en via het meesterlijk
uitgeschilderd motief landschap, ontstaat nu bijzondere aandacht en liefde
voor dieren, in het bijzon- der vogels, voor bloemen en vruchten, met
voelbare voorkeur voor bamboe en orchideeën. Vooral deze laatste bieden
ongekende mogelijkheden tot virtuoze penseelvoering; dit element blijft,
samen met de compositie, het belangrijkste van een klassiek-Chinese
schildering.
Ming, 1368-1644, charme-kunst op hoog niveau
Onder de Mingkeizers wordt alles op alles gezet om van deze periode de
meest schitterende te maken van de gehele Chinese geschiedenis. In het
algemeen gesproken heeft dit geleid tot een barok-overdadige charme-kunst.
China zou evenwel niet China zijn, zo ook dan geen apart te vermelden
verwezenlijkingen voorkwamen. Dit geldt voornamelijk het porselein : in de
eerste plaats het vermaard blauw-wit, dat Klein-Azië en West-Europa meteen
in vervoering bracht; ook het delicaat Té-hua, gekend als 'blanc de
Chine'. Vermeldenswaard is ook dat tegen het dwangregime reagerende
schilders systematisch de klassieke voorgangers bestuderen, een reactie
die ook nog tijdens de Qingdynastie voortduurt.
Qing, Tsjing, 1644-1912, laatste bloei
Alleen het wit porselein en een aantal andere monochroorngenres,
perzikhuid, ossebloed, hazevel e.a., brengen nog de oude tradities in
herinnering tussen al het keizerlijk protserige waarvoor enkele
polychroomgenres, 'familie rose' en '-verte' bv., getuigen. Dit neemt niet
weg dat, wat materiaal en techniek betreft, nooit mooier porselein is ge-
maakt dan dit. De schilderkunst onder de Qing is weinig origineel, en
daardoor bij de Westerse liefhebbers nogal veronachtzaamd. Sinds enkele
jaren hernieuwde studie leidt kennelijk tot herwaardering van bepaalde
scholen en kunstenaars.
Basis bron: Het boek "Kunst van Altamira tot heden", F. Adriaens
c.s.. A'dam, 1980
|