|
GRIEKSE KUNST,
naar overzicht kunsthistorie
De
oorsprong van onze beschaving vinden we bij de Grieken. Vakken als wiskunde,
atletiek en staatsinrichting komen we al bij de Grieken tegen. Bloeitijd van de
Griekse beschaving begon omstreeks 700 v. C.. Die van de Egyptenaren nam toen
af. Het werd het begin van de Europese cultuur.. Door uitbreidingen van het Romeinse
rijk maakte West-Europa kennis met de Griekse cultuur. De Griekse en Romeinse
cultuur noemen we de “klassieken ”. Invloed van de Grieken is nog overal
zichtbaar. Elke stad heeft wel een zogenaamd neoclassicistisch gebouw uit de 19e
eeuw. Zo’n gebouw uit de vorige eeuw heeft vormen die van de Grieken en de
Romeinen zijn overgenomen. Neoclassicistisch betekent opnieuw klassiek. Veel stations, musea en stadhuizen
uit de 19e eeuw zijn in klassieke stijl gebouwd.
Ook de wijze waarop westerse landen nu bestuurd worden is in oorsprong Grieks. De democratie werd in Athene ca 550 v.C. voor het eerst toegepast. Ook het gebruik van munten is afkomstig van de
Grieken..
Grieken pasten de architraaf bouw toe. Op twee pilaren rust een horizontale balk. Ze
bouwden tempels voor hun goden. De
gelovigen bleven buiten, alleen de priesters kwamen binnen. De binnenruimten
waren dan ook niet groot. Bij de bouw hechtten zij veel belang aan goede
verhoudingen. Zo stond de dikte van de zuilen in verhouding met de hoogte.
De mens stond bij de Grieken in het middelpunt. Hun cultuur was mens gericht.
Gevolg hiervan was dat zij het
aardse leven en prestaties hoog vereerden. De goden werden als ideale mensen
voorgesteld, bijv. als atletische figuren en wel zo natuurgetrouw mogelijk.
De kunst moest bij de Grieken nuttig zijn. De gebruikte materialen waren steen
en brons.
Algemene
kenmerken
Een nationale kunst, gegroeid uit het volk. De meeste Griekse vaklui waren echte
kunstenaars. De meeste kunstwerken zijn anoniem. Zelfs een bekende kunstenaar
als Phidias werkte niet individueel maar met een hele groep leerlingen en
vaklui. Leven en opvattingen van het Griekse volk weerspiegelen zich in de
kunst: de verering van goden en helden, hun zin voor het schone, het geen raad
weten met het hiernamaals en het ingewortelde levenspessimisme.
Kunst is gericht op de ideale mens. De
aandacht is vooral gericht op deze wereld en wel vooral op de mens en zijn prestaties. De Griekse kunst is antropocentrisch. De mens wordt volgens
ideaal menselijke normen voorgesteld. Ook de goden worden volgens menselijke
normen uitgebeeld. Tussen de voorstelling van een god en die van een held of
atleet is weinig verschil.
Kunst staat in dienst van de gemeenschap. Hun kunstwerken staan in dienst van de
gemeenschap. Vaak bezitten ze nuttigheidswaarde. Zo wordt in keramiek wijn
bewaard en uitgevoerd. Ook zit er vaak een pedagogische waarde in. Veel
standbeelden op pleinen en aan openbare gebouwen moeten de jeugd inspireren.
Kunst straalt eenvoud en harmonie uit.
Met eenvoudige materialen, marmer, brons en potaarde en met eenvoudige technische procédés brengen ze harmonische kunstwerken voort.
MYCEENSE KUNST
Het megaron, halfvormig hoofdgebouw, is de grondvorm van de Myceense burcht. Het megaron of gewone huis bestaat uit een rechthoekige zaal met in
het midden een haard tussen vier zuilen. Hierboven is een opening in het licht
hellende zadeldak om de rook te laten wegtrekken. De Myceense burcht is een
verzameling van een aantal megara. De voornaamste burchten liggen in de
provincie Argolis (Mycene, Tiryns en Argos). Ze liggen gewoonlijk op een hoogte
om aan de omwonende bescherming te bieden tegen land- en zeerovers. De burcht
van Mycene is de meest indrukwekkende. Via de
Leeuwenpoort komt men in de burcht. De
steenblokken zijn zonder bindmiddel op elkaar gestapeld. Boven de poort een drie
meter hoog reliëf met
twee leeuwinnen
rond een Kretenzische zuil. De twee leeuwen verzinnebeelden de macht van de
vorst. Achter de muren bevinden zich schachtgraven van koninklijke geslachten
uit de 16e eeuw. Er zijn wapens, gouden bekers en dodenmaskers in gevonden.
Myceners geloofden in het hiernamaals. Naast schachtgraven bouwden de Myceners
koepelgraven. Het gewelf van het
graf van Atreus
bestaat uit 33 zich vernauwende ringen van mooi behakte steenblokken. Myceense
vazen zijn plantendecors, jacht- en
krijgstaferelen.
GRIEKSE BOUWKUNST
De Griekse tempel is gegroeid uit het megaron. De bouwkunst is afgestemd
op de godsdienst. In tempels belijden de Grieken hun geloof in de goden.
Aanvankelijk werd er hout en ongebakken steen gebruikt, later ging men over op
natuursteen.
Van de 8e eeuw af worden tempels volgens een vast plan, het megaron,
opgetrokken. De Griekse tempel is eigenlijk klein. De tempel dient alleen als
woonplaats voor de godheid, waartoe alleen de bedienaars van de eredienst
toegang hebben. Het is een ommuurde ruimte cella of naos genoemd met op de
achtergrond een groot beeld van de godheid. Deze plaats werd door de priesters
gebruikt voor de verering van de god. Er achter lag soms het adyton opisthodomos, een soort heilige der heilige ruimte. Hier maakte god zijn wil
bekend. Een pronaos gaf toegang tot de tempel. Zie het
grondplan.
van een Griekse tempel.
Voor of helemaal rond het gebouw worden zuilen geplaatst. Het gaat bij de
Griekse tempel niet om indrukwekkende afmetingen, maar wel om de juiste
verhoudingen. Daardoor wordt het bouwwerk harmonisch en evenwichtig. Vaste
maatverhoudingen beheersen de opbouw van de Griekse tempel. De straal is de
eenheidsmaat van het gehele bouwwerk. Geleidelijk brengen ze optische
verbeteringen aan. De omhoog rijzende zuilen, die bij loodrechte stand
waaiervormig schijnen te divergeren, laten ze licht naar binnen overhellen. De
hoekzuilen. die meer licht opvangen en daardoor dunner lijken, maken ze zwaarder
en plaatsen ze dichter bij de naburige zuilen. De lange dwarsbalken laten ze
licht opbuigen om het juiste horizontale gezichtsveld te verkrijgen.
De Griekse tempels liggen altijd op de oost – westas. Dit is een verwijzing
naar de zon.
Dorische
en Ionische tempels.
Tot het einde van de 5e eeuw zijn deze twee bouwstijlen in gebruik. Het verschil
ligt in de zuilen. De Dorische is de oudste en kwam tot ontwikkeling op de Peloponnesos. De tempels met deze zuilen zijn zwaar en statig, die met de
Ionische zuilen zijn lichter en slanker.
Eerst werd een grondplateau gemaakt en daar kwam de stereobaat op met drie
treden, waarvan de bovenste de stylobaat was. Deze tempelvloer droeg de zuilen.
De Dorische zuil staat, zonder voetstuk, op de stylobaat. De schacht versmalt
naar boven. Deze heeft 16 tot 24 groeven, die elkaar met de kanten raken.
Hierboven op komt het kapiteel. Dit bestaat uit een rond zuilkussen en een
vierkante dekplaat. De architraaf rustte op de zuilen.
De Ionische zuil rijst op uit een driedelige basis. De schacht is slanker en
heeft diepere groeven, die elkaar niet raken. Het kapiteel heeft twee parallelle
dubbele spiralen en een dunne dekplaat.Op de kapitalen rusten zware dwarsbalken,
waarboven zich een fries met beeldhouwwerk bevindt.
In de Dorische tempel wisselt dit beeldhouwwerk af met steenblokken met drie
gleuven (trigliefen). Hiertussen zitten versierde vlakken (metopen). Hierboven
komt een kroonlijst en dan een licht hellend zadeldak. Hierdoor ontstaat aan
voor- en achterzijde van de tempel een driehoekig gevelveld (tympanon) Dit is
met beeldhouwwerk versierd.
Omstreeks 400 komt de Korintische
zuil in gebruik. Het kapiteel lijkt op een
korf, waaromheen akantbladeren (berenklauw) groeien en vier hoekspiralen omhoog krullen.
De tempel van Zeus Olympus te Athene is een voorbeeld. Vooral in het Romeinse
rijk is deze zuil bekend.
Dorische tempels: Hera-tempel en Zeus-tempel te Olympia; Apollo- tempel te
Korinthe; Apollo-tempel te Delphi; Parthenon in Athene; Poseidon-tempel in
Sounion. De Hera, Demeter en Poseidon tempels in Paestum.
Ionische tempels: Artemis-tempel in Ephesus; Hera-tempel op Samos;
Nike-tempeltje en Erechtheum in Athene. Zie tempel
doorsneden.
Het
Griekse Theater.
Vooral in de 5e eeuw bloeit de toneelkunst in Hellas. Men bouwde grote stenen
theaters. Zo'n Grieks theater bestaat uit drie delen: vooraan het toneel voor de
spelers; in het midden de cirkelvormige dansvloer voor het koor, orchestra, en
daar omheen de naar boven oplopende zitbanken, de cavea, voor de toeschouwers.
Via twee brede gangen, paradoi, kwam het publiek binnen.
Het Dionysius-theater in Athene is een bekende schouwburg. Het ligt op de
zuidhelling van de akropolis. Het best bewaarde theater is dat van
Epidaurus, in Argolis, uit de eerste helft van de 3e eeuw v. Chr..
Van het midden van de 4e eeuw af komen er in de steden steeds meer burgerlijke
gebouwen. Aan de opbouw van de steden wordt meer aandacht geschonken. Hippodamus
van Milete moderniseert er veel door de nauwe kronkelende straatjes te vervangen
door rechte, brede straten. Deze straten snijden elkaar rechthoekig. In veel
steden komen theaters, bibliotheken, concertzalen (odeia) renbanen (stadia),
gymnasia en badinrichtingen. Enkele bekende monumenten uit de 4e eeuw zijn:
gedenkteken van Lysicrates in Athene, mausoleum in Halicarnassus.
GRIEKSE BEELDHOUWKUNST
Archaïsche tijd (tot 400)
Men onderscheidt de Dorische en de Ionische beeldhouwkunst. De Dorische
is plechtig, voornaam en mannelijk. Men werkt vooral met steen en brons. De
Ionische is licht, verfijnd en gracieus. Er wordt vooral met marmer maar ook met
ivoor en goud gewerkt.
Kouros- en korébeelden. In de beeldhouwkunst
treedt de menselijke figuur, god, held of atleet, direct op de voorgrond. De
mens in zijn aardse verschijning en in zijn aardse volmaaktheid komt er in tot
uiting.
In de 6e eeuw ontstaat de Dorische voorstelling van de naakte jongelingsfiguur
of kouros en die van de in kleding gedrapeerde jonge vrouw of kore, onder
Ionische invloed. Veel beelden worden beschilderd. In het begin zijn de
kouros-beelden hoekig en strak. Geleidelijk verdwijnt de starheid uit de
beelden. Aan het eind van deze periode krijgt men de indruk van beweeglijkheid (vrijere stand van de benen, knielende
houding). Er komt een meer natuurgetrouwe anatomisch juiste uitbeelding.
De marmeren koré-beelden hebben fijne gelaatstrekken en een wat gemaakte
glimlach. De drapering is verzorgd en decoratief.
In deze tijd worden de tempels rijkelijk voorzien van reliëfs: voor de friezen
vlakreliëf. voor de metopen halfreliëf en voor de gevelvelden hoogreliëf. Er
worden vooral mythologische personen en scènes uitgebeeld. Historische
taferelen zijn zeldzaam. De reliëfs worden beschilderd met felle, opvallende
kleuren.
Klassieke
tijd (480-336)
Deze periode zet in met de reliëfs en beelden aan de Dorische Athena
tempel op Aegina en de Zeus tempel in Olympia. Er worden geïdealiseerde
mythologische legenden en sagen afgebeeld. Tot in de details zijn de figuren
afgewerkt. Dit geldt ook voor de afzonderlijke beelden bv. de wagenmenner van
Delphi.
Phidias gaf, in Pericles tijd, leiding aan het kunstleven te Athene. Zijn
in de oudheid beroemde beelden kennen we slechts uit kopieën. Het bewaarde werk
aan het Parthenon, door Phidias ontworpen en met zijn leerlingen uitgewerkt,
bleven lang als modellen gelden. Mensen en goden staan hier op het zelfde plan.
Ze zijn edel, voornaam en ongenaakbaar afgebeeld. Het geheel is geïdealiseerd
en in menselijke vormen afgebeeld.
De kunstenaars Myron en Polycletus zijn tijdgenoten van Phidias.
Zij werkten vooral met brons. Van Myron is de schijfwerker zeer bekend.
Polycletus is vooral beeldhouwer van atleten. Zijn speerdrager, een sterke
jongeman, geldt als een canon (maatstaf) voor veel latere beeldhouwers.
Praxiteles wordt wel de Phidias van de 4e eeuw genoemd. In de 5e eeuw komt
realisme en individualisme sterk naar voren. Hij wil de mens zuiver uitbeelden.
Zijn bekendste beelden zijn: Hermes van Olympia, Apollo de Hagedisdoder en
Aphrodite van Gnidus. Ze zijn elegant, rustig en dromerig uitgebeeld.
Scopas en Lysippus, zijn
tijdgenoten van Praxiteles. Scopas combineert realisme en idealisme. Zijn koppen
hebben gewelfd voorhoofd. diepliggende ogen en neergedrukte wenkbrauwen.
Lysippus is de schepper van de portretbeeldhouwkunst. Zijn figuren zijn slank.
De onderdelen van zijn figuren wijzen verschillende kanten op. De afwerking is
gedetailleerd. Bekend van hem zijn:
rustende Hermes en de jonge atleet met het schraapijzer.
Hellenistische
tijd (336-30)
De beeldhouwkunst van deze tijd wordt wat "barokkig". Naast
realisme en individualisme wordt er naturalisme aan toegevoegd. Het typisch
menselijke van allerlei figuren, mannen, vrouwen en kinderen, wordt weergegeven.
Vreugde, verdriet, wanhoop
en boosheid wordt uitgebeeld.
In centra buiten het vasteland, Alexandrië, Pergamum, Rhodos, scheppen
kunstenaars een eigen stijl. Door reizende kunstenaars worden deze stijlen
verspreid. Van Rhodische beeldhouwers zijn bekend: de pathetische Laocoön
groep, de Nike van Samothrake en de Aphrodite van Melus.
GRIEKSE SCHILDERKUNST
Van de Griekse schilderkunst is bijna alles verloren gegaan. Bronnen voor kennis van deze schilderkunst zijn: de beschilderde vazen. waarvan er veel bewaard zijn; mozaïekvloeren en fresco,s te Rome en Pompeji. Met
name de schilderingen op de vazen laten ons de stijlontwikkeling van de 5e eeuw
zien. Vazen werden gemaakt door ambachtslieden, die de beschilderingen ook zelf
uitvoerden. Naar de bestemming waren er drie soorten vazen: grote vazen,
amfora's en kraters of mengvaten, om vloeistoffen in te bewaren, bekers om te
drinken en allerlei kruiken en schalen voor diverse doeleinden.
Geometrische
stijl (1100-700)
Op de natuurlijke rode ondergrond werden
horizontale banden van
geometrische
motieven, meanders, zigzaglijnen en cirkels aangebracht. Beroemd zijn de Diplyon-kraters. Het zijn grafvaten waar de
uitvaart van een dode op wordt afgebeeld. In de bodem zitten gaten om het
plengoffer tot bij de dode te laten doorsijpelen.
Oosterse
stijl (700-600)
Er worden oosterse motieven ingevoerd: lotusbloem, exotische planten en
fabeldieren. Ze worden in donkere kleuren op een witte deklaag geschilderd.
Zwartfigurige
stijl (600-500)
Van Korinthe komt deze stijl naar Athene. op
de helrode kleiaarde vazen worden met zwarte vernis figuren aan gebracht.Het
dagelijkse leven en mythologische taferelen worden er op aangetroffen. De
beroemdste van de Attische zwartfigurige vazen is de Francois vaas (Archeologisch
Museum, Florence). Namen van de kunstenaars staan er op. Is versierd met 8
taferelen. er komen 250 personen en 128 inscripties op voor.
Roodfigurige
stijl (vanaf 500)
Vazen worden zwart gevernist, behalve daar waar men het rood uitspaart
voor figuren en siermotieven.
Hellenistische
Schilderkunst
Men begint scènes uit het volksleven te schilderen. landschap wordt om
het landschap geschilderd.
GRIEKSE LETTERKUNDE
Van de literatuur van het oude Griekenland is verhoudingsgewijs niet veel bewaard gebleven. Maar wat er over
is gebleven is van een ongekende waarde. De invloed op latere Europese schrijvers, zowel direct als via
de Latijnse literatuur was zeer groot.
Ilias en
Odyssee
Vast staat dat ze tot de grootste onder de literaire werken gerekend
moeten worden. Zij werden in de 8e eeuw v. Chr. samengevoegd en beschrijven de
min of meer legendarische figuren en gebeurtenissen van 500 jaar daarvoor.
De Ilias beschrijft gebeurtenissen die tegen het einde van de Trojaanse oorlog
plaatsvonden. De Odyssee beschrijft Odysseus' ervaringen tijdens zijn thuisreis
na de oorlog.
Griekse
Tragedie Schrijvers
Er zijn 32 tragedies bewaard gebleven. De drie
groten onder de Griekse tragedieschrijvers zijn Aeschylus, Sophocles
en Euripides. Tragedies werden op festivals opgevoerd. Tijdens een voorstelling
werden drie tragedies gespeeld en een satirespel. Er wordt aangenomen dat de
tragedie zich ontwikkelt heeft uit de koorzangen die op religieuze feesten
gezongen werden.
De Griekse komedie bestaat uit stukken van Aristophanes. De komedie is nogal
grof, de karakters potsierlijk. De satire op het leven, de ideeën en leidende
figuren uit die tijd is vaak vlijmscherp. Zelfs de goden worden gehekeld.
Historici.
Herodotus ca. 400 v. Chr. beschrijft de strijd tussen Griekenland en Perzië.
Zijn werk bestaat uit geschiedenis en pure verhalen. Thucydides beschrijft
op wetenschappelijke wijze de Peloponnesische
-oorlog. Hij ondervroeg deelnemers en ooggetuigen en gaf de feiten in beknopte en directe stijl weer.
Xenophon beschrijft de terugtocht van de 10.000 Grieken uit Klein Azië.
Filosofen en Geleerden
Een van de grootste is Plato. Hij was behalve filosoof
ook staatsman en dichter. Zijn opvattingen en idealen maken deel uit van de
erfenis van de Westerse mens. Aristoteles baseerde zijn systeem op directe
waarneming en strikte logica. Zijn aanpak maakt hem tot de vader van het moderne
wetenschappelijke denken. Pythagoras wiskundige, trachtte de aard van alle
dingen te verklaren met wiskundige begrippen.. Hippocrates was arts en docent in
medische wetenschap. Groot voorstander van gezonde voeding en hygiëne.
Anaximander bracht als eerste naar voren dar de aarde als een lichaam in de
ruimte zweeft.
Aanbevolen
Het boek GRIEKENLAND, van Mycene tot
Parthenon - Henri Stierlin - Uitg. van Taschen/Librero.
|