|
RENAISSANCE BOUWKUNST IN ITALIË, naar
overzicht kunsthistorie
Terug naar antieke vormen
Vooral in de bouwkunst komt het opnieuw aanknopen met de oudheid
duidelijk tot uiting, al werd in het begin ook gekeken naar de
vroegchristelijke en de byzantijnse voorbeelden, die op Italiaanse bodem
in groot aantal nog aanwezig waren. De gotische bundelpijlers maken plaats
voor laatklassieke zuilen met basement en kapiteel. Zij worden echter niet
afgedekt met een horizontaal hoofdgestel, maar dragen rondbogen zoals in
de vroegchristelijke kerken. Aan de vrijstaande zuilen beantwoorden de
tegen de wand aangebracht vlakke of gegroefde pilasters ofwel halfzuilen,
die een kroonlijst dragen. Ook vensters en deuren of muurnissen krijgen
een omlijsting van pilasters of halfzuilen met fronton, aedicula.
Zoals in Romeinse gebouwen zullen tegen de hoge muren drie zuilenorden
boven elkaar worden aangebracht, telkens door horizontaal lijstwerk
gescheiden. Ook het triomfboogmotief - in de oudheid een afzonderlijk
staand monument - wordt als portaal of in binnenarchitectuur toegepast.
Het druk gotische kruisribgewelf komt niet meer aan bod. Naar het Romeinse
voorbeeld worden eenvoudige tongewelven of graatgewelven verkozen.
Geïnspireerd door Romeinse,
Pantheon te Rome, en byzantijnse modellen,
wordt de koepelbouw in ere hersteld, al krijgt de koepel een eigen
karakter door de cilindrische of veelhoekige trommel met lichtopeningen en
de bekronende lantaarn in vorm van een antiek rondtempeltje.
Ook de uit de vroegchristelijke basilieken overgenomen vlakke houten
plafonds worden nu, sierlijk in verdiepte vakken, cassetten, ingedeeld, in
kerken en woonhuizen aangebracht.
Het hoge, schuine gotische dak is typisch voor de noordelijke landen, waar
de gevel door de borstwering boven de goot werd doorgetrokken. De
renaissance behoudt het slechts even oplopend dak uit de landen rond de
Middellandse Zee, dat onzichtbaar blijft van op de begane grond, en sluit
de gevels af met een ver uitstekende zwaar geprofileerde horizontale
kroonlijst.
Voor de versiering wordt het gehele arsenaal van de klassieke
decoratievormen opnieuw gebruikt zoals palmet en rozet, eierlijst,
akantrank en putto, naast nieuwe motieven, ontleend aan de natuur of uit
eigen fantasie geboren zoals arabesk en baluster. Deze uiterlijke
aankleding en versiering valt dadelijk op in renaissance gebouwen. Van
groter belang is echter de gewijzigde bouwopvatting zelf.
De renaissance bouwmeester laat zich leiden door de harmonische
verhoudingen van het menselijk lichaam. De verhoudingen van het gebouw en
zijn onderdelen zijn gebaseerd op deze van de mens : zuil en plattegrond
met ingeschreven figuur, kapitalen met dito hoofd.
Michelangelo zoekt naar evenwicht en juiste onderlinge verhouding van de
samenstellende delen voor de gevel van San Lorenzo te Florence. Zijn
ontwerp (1516) houdt geen rekening met de er achter liggende bouwmassa, hoog middenschip tussen lage zijbeuken.
Zoeken naar mooie verhoudingen
In het begin nemen de bouwmeesters vormen uit de oudheid over ter
vervanging van gotische elementen. Maar door het bestuderen van de oude
bouwwerken en door het lezen van klassieke teksten over architectuur (o.m.
Vitruvius’ De architectura) ontdekt men dat de schoonheid van de
antieke bouwkunst steunt op een juiste verhouding tussen hoogte en
breedte.
De klassieke zuil met basement, schacht en kapiteel, hoofdstuk, is
aan bepaalde normen gebonden, verschillend volgens de orde. De eenmaal
gekozen eenheidsmaat, modulus, is een aantal malen begrepen in de
dikte en in de hoogte van de zuil. Zoals voor de zuil geldt voortaan dat
de verhoudingen van de bouwonderdelen onderling en tot het gehele bouwwerk
vast dienen te staan. Zoals in het menselijk lichaam kan in deze
verhoudingen de organische orde niet worden gewijzigd, zonder de harmonie
van het geheel te verbreken.
Steeds wordt gestreefd naar evenwicht tussen hoogte en breedte, tussen
vlakke en uitstekende partijen, tussen kubische en sferische elementen.
Elk onderdeel is juist afgestemd op een ander, samen vormen ze één geheel
zodanig dat niet één element kan worden weggelaten zonder afbreuk te doen
aan de gaafheid. Geen element overheerst het andere, het geheel laat recht
wedervaren aan elk onderdeel.
Ruimte- en massawerking
Het schip van een gotische kerk kan met verschillende traveeën
verlengd worden. Voor renaissance gebouwen is dit anders: zoals het
eenmaal ontworpen werd, is het 'eindig' en in zichzelf besloten.
Het gebouw heeft een compact volume dat uit zeer eenvoudige vormen bestaat
-kubus, cilinder, halve bol-, die ook als onderdelen steeds gemakkelijk
herkenbaar blijven. De wanden blijven massaal en hun dubbele rol van
dragend en afsluitend element. Het wandvlak wordt verdeeld door verticale
en horizontale elementen - halfzuilen of pilasters, hoofdgestellen of
kroonlijsten - , ofwel worden in de vlakke muur omlijste vensters of
blindnissen, aedicula, ingesneden.
Overzichtelijke ruimten worden overdekt door vlakke plafonds, doorlopende
tongewelven, een concave koepelruimte. De ruimtewerking van de koepel
wordt zo berekend dat aan hoog opgetrokken koepels een minder hoge
binnenkoepel wordt aangebracht. Dit is een originele vondst van de
renaissance.
Zin voor eenvoudig ruimte-effect verklaart de voorkeur voor centraalbouw.
Al is er tegenstelling niet de liturgische noodwendigheden, de schoonheid
Van het bouwwerk op zich zelf krijgt voorrang op het praktisch nut. De
renaissance bouwkunst streeft naar ideale schoonheid.
Centraalbouw is de ideale, in zichzelf gesloten bouwvorm van de
renaissance. Hij wordt samengesteld door eenvoudige massa's en
ruimtevolumes (kubus, cilinder, halve bol), die elk afzonderlijk duidelijk
onderscheiden zijn.
Vroeg renaissance bouwkunst
In Florence wordt de renaissance bouwkunst geboren door invloed van
Filippo Brunelleschi (1377-1446), eerst goudsmid en beeldhouwer,
maar die na een studiereis naar Rome bouwmeester wordt. Zijn achthoekige
koorkoepel van Santa Maria del Fiore,
dom te Florence (1420-1434), overspant met 45 m. de breedte van het
driebeukig gotisch schip en bereikt een binnenhoogte van 90 m. Dit
gedurfde bouwwerk rust op vier in de massa verwerkte hoekpijlers en op
drie nisachtig uitgebouwde koortjes : alles is kalm en rustig uitgewerkt
en niets verraadt iets van de door de koepel uitgeoefende druk. Het
koepelmotief herhaalt hij in de als vierkante ruimte uitgewerkte
Pazzikapel (1429-1430), en in de vlak overdekte
San_Lorenzo_Florence (1425) en
San_Spirito-kerken (1436-1482) met brede rondbogen op
zeer slanke zuilen. Brunelleschi ontleent elementen aan de oude
bouwvormen, die hij op sierlijke wijze toepast in zijn luchtig aandoende
bouwwerken.
Voorbeelden
De eerste renaissance koepel: Brunelleschi, Domkoepel te Florence,
1420-1436
Klassieke elementen: Alberti, voorgevel van Santa Maria Novella te Florence
Theoretische grondslagen
De tweede generatie architecten kan een stap verder zetten.
Baanbrekend werk verricht de uit Noord-Italië afkomstige
Leon_Baptista Alberti (1404-1472), die in Florence maar ook elders in Italië heeft
gewerkt. Hij neemt gehele brokken uit de echt Romeinse bouwkunst over,
zoals drie boven elkaar geplaatste zuilenorden en de triomfboog. Maar
vooral heeft hij ook de oude geschriften onderzocht, o.m. Vitruvius' De
architectura, waarvan de tekst in 1414 door de humanist Poggi in de
abdij van Sankt Gallen was teruggevonden. De proportieleer van de Romeinse
bouwkunst zet hij uiteen in een theoretische studie De re aedificatoria,
pas gepubliceerd in 1487, en past hij toe in eigen bouwwerk.
Om een eenvoudige ruimte te bekomen ontwerpt bij de
Sant_Andrea te Mantua
(1472) als een eenbeukige zaalkerk met massale 'Romeinse' muren en door
cassetten versierd tongewelf. De zijwand bestaat uit een afwisseling van
zware muurmassieven en dwarse zijkapellen met hoge boog, alles omlijst
door hoge pilasters en architraaf. Hierdoor herinnert de wand aan een
Romeinse triomfboog evenals de voorgevel zonder constructief verband met
het erachter liggend gebouw.
De gevel van de gotische
Santa Maria Novella (zie afb.) te Florence wordt door hem
'gemoderniseerd' (1456) : overzichtelijke verdeling van het gevelvlak door
halfzuilen en kroonlijsten, aanbrengen van voluten om het hoogteverschil
tussen zijbeuk en schip op te vangen.
Lombardisch-Venetiaanse decoratieve zwier
In Noord-Italië ontstaat een speelse bouwkunst met frisse decoratieve
toepassing van renaissance elementen. Het mooiste voorbeeld van deze
decoratieve opvatting is de marmeren gevel vóór de gotische
Kartuizerkerk te Pavia (1491) : een dooreen wemelen van
Italiaans-gotische vormen en klassieke versieringselementen (halfzuilen,
kroonlijsten, medaillons, sierlijke reliëfs en volplastische beelden in
nissenrijen). Dit indrukwekkende scherm beantwoordt echter niet aan het
zuivere renaissance ideaal.
Ook in het Milanese oeuvre van
Donato
Bramante (1444-1514)
overheerst nog deze decoratieve zin : de zestienhoekige in het dak
verzonken koepel en de koorpartij van
Santa Maria delle Grazie te Milaan
(1492-1499) met die zijn versierd met een overdaad van gekleurde
terracotta sierelementen. Na zijn aankomst te Rome volgt hij de door
Alberti voorgeschreven richting : met zijn werk aldaar begint de Hoog
Renaissance.
De Palazzi
Zoals in de steden benoorden de Alpen, krijgt ook de wereldlijke
architectuur in de Italiaanse stadstaten meer belang. In het noorden zijn
het vooral gemeentelijke gebouwen (hallen, belforten, raadhuizen), in
Italië wil elk adellijk geslacht dat zijn palazzo het mooiste is. Met de
Florentijnse paleizen is het kenmerkend renaissance type geboren : om een
open vierkant of rechthoekig binnenhof met open galerij, cortile,
liggen vier aan elkaar sluitende vleugels, die naar buiten een afgesloten
symmetrisch geheel vormen. De schikking is kennelijk afgeleid van het
Romeinse atriumhuis, de opbouw echter is een voortzetting van de
middeleeuwse stedelijke versterkte ,stenen' met gesloten straatmuur,
aangepast aan de nieuwe mode. De oudste vertonen nog een gesloten
straatfront met ruw gehakte grote stenen, rustica. Onder een ver
uitspringende lijst heeft de gevel drie vensterreeksen waartussen
horizontale lijsten (Palazzo Medici-Riccardi, 1440, door Michelozzo ;
Palazzo Strozzi, 1489 door da Majano). Alberti's Palazzo Rucellai (1451)
is verticaal en horizontaal overspannen met vlakke pilasters waartussen
doorlopende hoofdgestellen van de drie klassieke ordonnanties; de vensters
zijn nog niet zuiver klassiek : ze zijn door een rondboog afgedekt en door
een composietzuiltje in twee verdeeld. Bij de iets latere ontstane
Venetiaanse paleizen ligt de nadruk op de aan de waterkant liggende gevel.
Op een gesloten onderstuk staan twee gelijke verdiepingen met afwisselend
grote dubbelvensters onder rondboog en twee aan twee staande halfzuilen,
die de kroonlijsten tussen de verdiepingen dragen (Palazzo Vendramini,
1481-1515).
Hoog renaissance bouwkunst
In zijn te Rome uitgevoerde of ontworpen werken beheerst Donato
Bramante (1444-1514) de door Alberti voorgeschreven regels tot het
bereiken van de ideale harmonie in het gebouw. Voor kerken kiest hij de
centrale plattegrond. Het ronde
Tempietto , tempeltje, met
zuilenomgang en koepeltje in de kloosterhof van San Pietro in Montorio
(1502) te Rome, is een model van evenwichtige compositie. Het door paus
Julius II in 1506 aanvaarde ontwerp van Bramante voor een nieuwe
Sint-Pietersbasiliek te Rome, bedoeld als een symbool van de pauselijke
primaat en op te richten boven het graf van de H. Petrus, vertoont een
centrale aanleg met vier halfrond gesloten armen en een machtige, door het
Pantheon geïnspireerde koepel. De huidige vorm is echter vooral te danken
aan Michelangelo, die sedert 1547 als architect de werken leidt. Bij diens
sterven in 1564 is de koepeltrommel klaar, de koepel zelf wordt volgens
zijn ontwerp voltooid. De zeer plastisch uitgewerkte wanden en de
verkropte kroonlijsten wijzen al naar de barok.
Bramantes idee toont de op hetzelfde grondplan gebouwde Santa Maria
delta Consolazione te Todi (1508). De bouwonderdelen blijven duidelijk
onderscheiden : vierkant blok met ronde trommel en halfsferische koepel,
waartegen vier veelhoekige apsiden aanleunen; klare geleding van de wand
door twee boven elkaar staande pilasters met hoofdgestel en attiek boven
de kroonlijst.
Romeinse paleizen
De algemene vorm van de Florentijnse paleizen blijft behouden. De
verhouding hoogte-breedte wordt nog beter bestudeerd. Bramantes paleizen
hebben nog vlakke pilasterordonnanties, met afwisselend een breed en smal
muurvlak tussen twee pilasters, ritmische travee. In het Palazzo
Farnese (ca. 1513-34) bereikt men een edel karakter door het zeer goed
uitgebalanceerde aanbrengen van venster-aedicula in een overigens effen
wand met licht uitspringende ingangspoort in rusticawerk in het midden. De
open binnengalerij met pijlers en halfzuiten wordt op de bovenverdiepingen
herhaald.
Het ontwerp van de drie palazzi om het plein van het Capitool door
Michelangelo (1538) is tevens een bewijs voor de stedenbouwkundige
bekommernis van de renaissance. De twee zijvleugels hebben een open
gaanderij op pijlers, geflankeerd door zuilen met hoofdgestel; de
gevelpilasters lopen door over twee verdiepingen.
Il Gesu als eindfase
Vignola's voornaamste bouwwerk, de jezuïetenkerk Il Gesu te Rome
(1568-1584), heeft grote invloed op de ontwikkeling van de bouwkunst.
Alberti's zaalkerk is hier verder uitgewerkt : de hoofdruimte overheerst,
de zijbeuken zijn herleid tot dwarse zijkapellen-, geënt op het schip. De
klassieke hoge pilasters hebben een fors uitspringend hoofdgestel. Het
schema kruiskerk met koepel wordt in de barok overgenomen.
Beeldende kunst in het Quattrocento
De schoonheid van de Italiaanse natuur wordt het eerst in Toscane ervaren.
Twee kunstenaars vertolken dit: de Siënese beeldhouwer
Jacoba della Quercia (1374-1438) in zijn sluimerende graffiguur van Ilaria del
Caretto (1406) in de dom te Lucca, en de Florentijnse edelsmid en
bronsgieter
Lorenzo Ghiberti (1381-1455) in zijn schilderachtige bronzen
reliëfs aan de 'Paradijspoort' van de doopkapel (1430-1452) in zijn stad,
zie. Thais.it/scultura
In heldere en zachte kleuren geeft
Fra
Angelico da Fiesole
(1387-1455) zijn dromen weer in de frescoschilderingen met serafijnse
figuren van het San Marcoklooster te Florence. De natuurschoonheid wordt
door hem nog op een hemels plan verheven. Evenwichtige opbouw, perspectief
en dieptewerking worden door hem als vanzelfsprekend aangewend.
Natuurontleding
Als volbloed beeldhouwer gaat de aandacht van
Donatello (1386-1466)
vooral naar een juiste weergave van de menselijke figuur, zoals zijn
scherp oog ze ziet, in tegenstelling met de klassieke beeldhouwer uit de
oudheid die de ideale mens wilde uitbeelden. Dit verklaart de grote
verscheidenheid in zijn gestalten, die steeds met een sterke
uitdrukkingskracht geladen zijn : de jeugdige en van schoonheid stralende
David, het eerste naakt naar model; de schreiende en tot de dood
toe bedroefde en eenzame profeet Jesaias, Dommuseum, Florence; de
van zijn kracht bewuste en listige condottiere Gattamelata, het
eerste vrijstaande ruiterbeeld sedert de oudheid. Zijn Sint-Joris,
als patroon van de wapensmeden, heeft niets gemeen met een gotisch
heiligenbeeld, maar is een jonge uitdagende Florentijnse patriciër in
wapenrusting. Onder kleding en drapering weet men de lichaamsvormen en
zijn mensen staan in ongedwongen natuurlijke houding.
Met beide voeten op de grond staat ook de jonggestorven schilder
Masaccio (1401-1428). In de breed geborstelde fresco's van de
Brancaccikapel van het Karmelietenklooster te Florence, bewegen breed
gebouwde mensen met sprekende koppen en zwaar gedrapeerd. Deze in sobere
en zware tonen geschilderde religieuze voorstellingen spelen zich
werkelijk af op de aarde. Zie
Bargello museum
Florentijnse lente
De volgende generatie houdt meer van verfijning en sierlijke lijn. De
figuren worden slanker en ijler, ze glijden of dansen al zwevend over de
grond. In de gestalten van
Sandro Botticelli (1440-1510) zit nog iets van
de gracieuze 14e-eeuwse ranke gotische figuren in S-lijn, al behouden ze
wel meer aardse vormen. Naast religieuze taferelen schildert hij eveneens
voor de Florentijnse intellectuele elite profane allegorische taferelen,
zoals de Geboorte van Venus en de Primavera, een hulde aan
de lente. In een onwerkelijk mooi natuurdecor evolueren naakte of met
doorschijnende lichte gewaden omhangen figuren, met scherp getekende
omtreklijnen en gepenseeld in heerlijke lichte en frisse kleuren. Geheel
zijn werk bezit poëtische stemming en bezingt de schoonheid in een ideale
natuur, zonder enige neiging echter om de échte werkelijkheid weer te
geven. Het is evenmin een jubelzang : op de aangezichten ligt een
weemoedige trek van heimwee en verlangen.
De in even frisse kleuren
weergegeven madonna's van
Filippino Lippi (1450-1504), nu voorgoed opgevat
als een jonge en vooral mooie moeder met haar kindje, bewaren eveneens een
melancholisch, dromend aangezicht. Zie
abcgallery
De Florentijnse bronsgieter
Andrea del Verrocchio
(1432-1488)
Slaagt erin de menselijke lichaamsbouw op de meest natuurlijke wijze
weer te geven, zodanig dat men de onderdrukte beweging bemerkt. Los en
soepel staat de jonge David in zijn 'lederen' harnas, tot rust gekomen na
de strijd. In het ruiterstandbeeld te Venetië van Colleoni, het
ideaalbeeld van de Italiaanse legeraanvoerder, wordt het moment uitgebeeld
waarop de met zijn ros één geworden ruiter de teugels zal aantrekken en de
sporen geven. Verrocchio's werk, gekenmerkt door frisheid en
originaliteit, staat aan de vooravond van de hoogrenaissance.
De schilder
Andre
Mantegna
(1431-1506)
In zijn grote fresco's in Padua en Mantua, paleis van de Gonzaga,
voert de blik steeds dieper in een klare en overzichtelijke
illusionistische ruimte, meestal uitgebouwd met schijnarchitectuur, zoals
in zijn Sint-Jacobsfresco's in de Eremitanikapel te Padua. Zijn
meesterschap in de verkorting - het in perspectief voorstellen van het
menselijk lichaam - toont hij in een klemmende Bewening : het
Christuslichaam ligt met de voeten naar de toeschouwer. De grootse,
bewogen figuren worden met krachtige, zekere lijn geborsteld. Overheersing
van de kleur
De Umbriër
Pietri
Perugino
(1446-1524)
Zoekt vooral een mooie kleurwerking met doorschijnende en lichte
tonen. Scherpe overgangen vermijdt hij, zodat zijn door religieus gevoel
bevangen figuren iets wazigs vertonen.
Basis Bron: Kunst van Altamira tot heden, F. Adriaens c.s., Uitg.
Pelckmans, Kapellen Be.. Aanbevolen, helaas alleen antiquarisch
verkrijgbaar!
** U kunt via
Booking - Wereldwijd zoeken naar uw accommodatie in 71
landen. Laagste prijsgarantie
** Hoe maak ik een
printversie van
de pagina"?
** Zie ook de boekenpagina
eens!
** Door
Tekengrootte te
wijzigen kunt u de leesbaarheid van de tekst sterk verbeteren.
▲
|