|
ROMAANSE BEELDHOUWKUNST, naar overzicht
kunsthistorie
BOUWBEELDHOUWWERK
Franse portaalsculptuur
Van grote betekenis is het opnieuw verschijnen aan het gebouw van
beeldwerk met figuurlijke voorstelling. Al in het begin van de 11e eeuw
worden in Zuid-Frankrijk, waar galloromeinse reliëfs en beelden voor het
grijpen lagen, op de bovendrempels of in de boogvelden van de kerkdeuren
vlakke reliëfvoorstellingen gekapt. De oudsten zijn nog onhandig en
verraden nabootsing van ivoorsnijwerk of vlak drijfwerk in metaal.
In de 12e eeuw komt het bouwbeeldhouwwerk tot volle rijpheid. De figuren
winnen aan plastische vorm, van vlakreliëf komt men tot hoogreliëf. De
kerkdeur krijgt een volledige omlijsting, in de dikke wand uitgespaard, en
wordt een echt portaal. Boogveld, deurstijlen, de met zuilen ingewerkte
dagkanten en de boogomlijstingen worden met beeldwerk verlevendigd. De
zuilen worden geleidelijk behandeld als figuren, zuilbeelden, en
levensgrote beelden zijn geen uitzondering meer. Elk portaal beeldt één
thema uit, bij voorkeur het tot de verbeelding sprekende apocalyptische
visioen van de tweede komst van Christus, gewoonlijk verweven met het
Laatste Oordeel, de Hemelvaart of het Pinksterwonder. Het boogveld blijft
het hoofdmoment met als centrale figuur de triomferende Christus, Maiestas
Domini.
De voornaamste gebeeldhouwde portalen vindt men in Languedoc, Moissac, ca.
1120-40; Souillac, ca. 1130-40 en in Bourgondië, Autun, ca. 1132; Vézelay,
ca. 1146. Het verst doorgedreven is het drievoudige Koningsportaal van
Chartres, 1145-1150. Een eigen karakter vertonen de kerken in Provence,
waar de laatklassieke invloed sterker nawerkte. Buiten de portalen wordt
daar ook de gehele gevel versierd met zuilen en hoofdgestel naar antiek
model, waartussen beeldhouwwerk in vrij hoog reliëf, St.-Trophîme te
Arles, ca. 1150; St.-Gilles du Gard, ca. 1160.
Voorbeelden van kerkportalen:
1. De klassieke vorm met ingeschreven boogveld en middenpijler, 1146, La
Madeleine, Vézelay
2. Boogveld met Tronende apocalyptische Heiland, ca. 1120-1140, abdijkerk
van St.-Pierre, Moissac
3. Zijpijler met Profeet Jesaias, ca. 1130. Ste.-Marie, Souillac.
Gebeeldhouwde kapitelen
De kapitalen van de zuilen in beuken, crypten en kloosterpanden zijn
meestal met beeldwerk bekapt. Naast exemplaren geïnspireerd op het
klassieke composietkapiteel met akantbladeren, zijn er talrijke met
Germaans vlechtbandornament, verweven met monsterachtige diervormen,
draken, sirenen, chimaera's. Vooral in Zuid-Frankrijk en Bourgondië komt
ook de menselijke figuur voor, vervlochten in rankwerk, als symbolische
figuur of verwerkt in religieuze of legendarische voorstellingen. Ook
taferelen van het landelijke leven, de jacht en het ambacht worden in
beeld gebracht.
Voorbeelden van Romaanse kapitelen
1. Onversierd teerlingkapiteel, 1 Ie eeuw, St.-Pieterskerk, Utrecht
2. Dubbel teerlingkapiteel met ranken en ingevlochten figuren, ca. 1096,
St.-Sernin, Toulouse
3. Kelkkapiteel met bladeren, 12e eeuw, oude abdijkerk van Rolduc
4. Kapiteel met uitbeelding van figuren, 12e eeuw, Onze-Lieve-Vrouwekerk,
Maastricht.
Zowel laatromeinse als oosters-byzantijnse en noords-germaanse invloeden
Aan de klassieke kunst dankt de Romaanse beeldhouwkunst vooral het streven
naar monumentaliteit, die volledig doorbreekt met de inzet van de 12e
eeuw. Ook meer plastische volumewerking van het beeld is een klassieke
erfenis. In technisch opzicht vertrekt de monumentale plastiek van het
laatromeinse vlakreliëf. Zij ontleent eveneens decoratieve motieven als
eierlijst, tanden, sterren en rozetten. Bovendien dragen bijna alle
bijbelse personages een Romeinse toga. Het oostersbyzantijnse element zit
vooral in de iconografische thema's, in de zin voor symmetrische en
geometrische schikking, in de hiëratische strengheid van de heilige
figuren, in de byzantijnse kledij van engelen. De geestelijke
opdrachtgevers - vooral de benedictijnen - vinden modellen voor de
plastische versiering van hun nieuwe kerken in miniaturen of ivoren
plaatjes uit het Oosten. Voor enkele gevallen uit de 11e eeuw staat het
vast dat in de byzantijnse traditie gevormde Italiaanse steenhouwers, naar
Franse abdijen geroepen werden. De byzantijnse kunstopvatting, minder
ingesteld op zinnelijke waarneming dan op religieuze uitdrukkingskracht,
heeft mede op de Romaanse Westen zijn stempel gedrukt.
Hieraan beantwoordt de sterk abstraherende instelling van de
noords-germaanse kunst, die meer oog heeft voor de betekenis van het
voorgestelde dan voor het bereiken van een schoonheidsideaal. Noords van
oorsprong is eveneens het grillige lijnenspel en het streven naar
decoratieve vlakvulling; ook de uit vrije fantasie geboren wangedrochten
en monsters hebben hun oorsprong in de 'barbaarse' kunst.
Toch een eigen karakter
Ondanks deze zeer uiteenlopende beïnvloeding, heeft de Romaanse
beeldhouwkunst een eigen aard met eigen kenmerken. De figuren werken
irreëel en zijn onwerkelijk, in zover ze niet de natuur uitbeelden zoals
deze door het oog wordt gezien. De geestelijke instelling van de
kunstenaar heeft voorrang: hij drukt meer een idee uit en beoogt geen
weergave van persoon of gebeurtenis. De Romaanse beeldhouwer heeft zin
voor decoratief lijnenspel: figuren, voorwerpen en ornamenten vullen het
gehele vlak zonder enige zorg om ruimtelijke werking. De drapering is
doorgroefd met dunne, sierlijk golvende plooitjes.
Het beeldhouwwerk blijft ondergeschikt aan het bouwwerk: boogveld, portaal
en kapiteel worden als zodanig goed afgescheiden en behouden duidelijk hun
architectonische vorm. Grote en kleine figuren staan naast elkaar in
eenzelfde voorstelling: naar de inhoud wordt hiermede het verschil in
waardigheid uitgedrukt (God > engelen > profeten > gewone mensen); naar de
vorm is dit dikwijls een noodzaak door de beperking van de te bewerken
oppervlakte.
BRONSGIETWERK EN EDELSMEEDKUNST
Bronswerk
Voor het beeldhouwwerk in steen komt de vernieuwing uit Frankrijk bezuiden
de Loire. Het zwaartepunt van de bronsplastiek ligt in het noorden,
Saksen, Maasstreek.
Onder de Ottoonse keizers is Hildesheim, dank zij bisschop Bernward,
1022), een zeer vooruitstrevend kunstcentrum. De 4 m. hoge z.g.
Bernwardzuil, ca. 1020, Dom, Hildesheim, waarop zoals bij de Romeinse
triomfzuilen in spiraal omhooglopende reliëfs met het leven van Christus,
bleef zonder navolging. Aan de spits van een reeks bronzen deuren in
Centraal-Europa staan de Bernwards-deuren, 1015, Dom, Hildesheim. Op deze
uit een stuk gegoten, bijna 5 m. hoge deurvleugels beelden 16 uiterst
plastische reliëfs het Genesisverhaal en Christus' verlossingswerk zeer
kernachtig en levendig uit. Hiermee verwant zijn de oudste bronzen panelen
op de poort van San Zeno te Verona, 11e eeuw, in Italië.
In het Maasgebied wordt tussen 1107-1118 de geelkoperen ronde doopvont van
St.-Barthélemy te Luik gegoten door Reinier van Hoei. De vijf
dooptaferelen in hoogreliëf verrassen door de natuurlijke groepering, de
losheid van de houdingen, de volplastische gespannenheid van de figuren.
De edele vormen zijn verwant met de klassieke kunst.
Voorbeelden van Romaans bronsgietwerk
1. De zondeval, poortdeur van bisschop Bernward uit St.-Michael, 1015,
dom, Hildesheim
2. Voetwassing, poortdeur, 11e eeuw, San Zeno, Verona
3. Doopsel van Christus, doopvont door Reinier van Hoei, tussen 1107-1118,
kerk van Saint-Barhélemy, Luik.
Edelsmeedkunst
Even monumentaal werken de grote edelsmeedwerken uit de Rijn- en
Maaslanden, waarop steeds grote, in rijke drapering gehulde en in
hoogreliëf gedreven figuur staan uitgebeeld. Het oudste is het gouden
altaarantependium uit Basel gemaakt in de abdij van Reichenau, 1020, Musée
de Cluny, Parijs, met de vijf monumentale gestalten van Christus, engelen
en de H. Benedictus.
Vermaard is de Keulse school, maar nog beroemder zijn de Maaslandse
edelsmeden: Godfried van Hoei, ca. 1110-1175, met het reliekhoofd van paus
Alexander, 1145, Kon. Musea v. Kunst en Gesch. Brussel, en het
reliektriptiek van het H. Kruis, ca. 1150, verz. Pierpont-Morgan, New
York; Nicolaas van Verdun met de kanselbekleding, nu tot altaarstuk
omgewerkt, van het Augustinerstift te Klosterneuburg bij Wenen, 1181, en
het Onze-Lieve-Vrouweschrijn in de Doornikse kathedraal, 1205. Deze
edelsmeden pasten een andere emailtechniek toe: in een dikkere
geelkoperplaat staken ze groeven of verdiepte vlakken uit, waarin ze het
kleuremail lieten smelten, groevensmeltwerk. Daardoor bereikten ze een
veel vlottere, maar ook klaarder getekende vlakvulling.
CULTUSBEELDEN
Mariabeelden
De oudste vrijstaande beelden in het Westen dienen oorspronkelijk als
reliekhouders. Trouwens deze houten beelden zijn bekleed met gouden of
zilveren gedreven platen. Het op een rijk uitgewerkte troon zittend beeld
van de z.g. Ste.-Foy van Conques in Languedoc, ca. 980, is een nog
onwezenlijke houterige figuur, versierd met ingezette edelstenen en
filigraanwerk en herbruikt byzantijns hoofd. De irreële tendens van de
Romaanse sculptuur is reeds te vinden in twee Mariabeelden uit de Ottoonse
tijd: de met goudblik beklede houten Madonna uit de Münsterschat te Essen,
einde 10e eeuw, en de vroeger met goudblad omklede Imad-madonna van
Paderborn, ca. 1050/60, Diözesanmuseum. De zittende Heilige Maagd met het
dwars op de knie zittende Jezus kind, wordt niet als een
moeder-en-kindgroep gezien, maar als uitbeelding van het onbepaalbare
goddelijke mysterie.
Hiermede verwant is de uit de byzantijnse iconografie overgenomen, in de 1
Ie en 12e eeuw gebruikelijke en tot in de 14e eeuw voortlevende
voorstelling van de Sedes Sapientiae: de H. Maagd zittend op een troon met
op haar schoot het zegende Jezus kind, beiden in streng frontale houding,
zonder menselijke ex pressie, verheven en ernstig.
Voorbeelden van Romaanse beelden
1. Ste-Foy, 980, abdijkerk Conques
2. Gouden Madonna, ca. 975, Münster,
Essen
3. Imad-madonna, ca. 1060, Diözesanmuseum, Paderborn
4. Italo-byzantijnse Sedes Sapientiae van Presbyter Martinus, 1190,
Staatliche Museen, Berlijn
5. Sedes Sapientiae uit Auvergne, ca. 1150, Metropolitan Museum, New York.
Kruisbeelden
Grote Romaanse kruisbeelden zijn zeldzaam. Onder invloed van de
byzantijnse iconografie wordt op kleine altaarkruisen en op grote houten
triomfkruisen een over de dood triomferende Christus , Christus regnans,
voorgesteld. Toch vertonen twee monumentale vroegromaanse kruisen de
lijdende Verlosser, Christus patiens. Bij het houten Gerokruis, naar
aartsbisschop Gero, t976, Dom te Keulen, zakt de figuur zwaar door en
valt het hoofd zijwaarts naar voren. Meer vergeestelijkt is de bronzen
Christus aan het kruis van Werden, ca. 1075, St.-Liudgerkerk, Essen,
mogelijk een werk uit het Maasland. Maar bij alle twee is de doodssmart
niet in volle hevigheid uitgedrukt.
Voorbeelden van Romaanse kruisbeelden
1. houten Gerokruis, ca. 970 (dom,
Keulen)
2. bronzen Christus, ca. 1075 (St.-Liudgerkerk, Essen-Werden
3. houten triomfkruis van Imerward, met aangeklede en over de dood
triomferende Christus, ca. 1175, dom, Braunschweig.
|
Hieronder treft u
een selectie links aan uit de site van Christopher
Witcombe
Basis bron: Het boek "Kunst
van Altamira tot heden", F. Adriaens c.s.. A'dam |
|