|
OUDCHRISTELIJKE KUNST, tot de
5de eeuw, naar overzicht
kunsthistorie Het ontstaan en de groei van het christendom in
het Romeinse rijk is een der markantste feiten in de geschiedenis. Onder
christelijke inspiratie ontwikkelt zich een kunst, vooreerst in de verborgenheid
van de catacomben, later, na de Constantijnse Vrede, 313, waardoor het
christendom vrijheid verwerft, openlijk in de basilieken, in het Westen en in
het Oosten. De christelijke kunst breekt echter niet plots af met de bestaande
laat Romeinse en hellenistische tradities! Geleidelijk wordt zij zelfstandig,
zowel in de thema's als in de uitbeelding ervan : eerst langs de geheimzinnige
weg van de symboliek, die geestelijke waarden en ideeën wil uitdrukken, daarna
langs de meer open weg van de verhalende, illustratieve stijl, die
gebeurtenissen en taferelen uit de bijbel en uit het christelijke leven
weergeeft.
De verplaatsing door keizer Constantijn van de zetel van het Romeinse rijk naar
Constantinopel, het oude Byzantium, in 330 heeft gewichtige gevolgen in de
cultuurgeschiedenis. In de 6e eeuw, onder keizer Justinianus, 527-565, die de
grootse koepelkerk Aya Sophia bouwt, komt de Byzantijnse kunst tot
veelzijdige opbloei en ontwikkeling. Terwijl de cultuur van het West-Romeinse
keizerrijk van de 7e eeuw af, door de invallen van vreemde volksstammen, in
verval geraakt, kent de Byzantijnse kunst een enorme uitstraling en
verspreiding, niet alleen in de vroegere gebieden van het Oost-Romeinse rijk -
Griekenland, Macedonië, Thracië, Klein-Azië, Armenië, Syrië, Palestina, Egypte-
, maar ook in Italië, Ravenna, Venetië en Sicilië, in de Balkanlanden en in
Rusland. Zelfs na de val van Constantinopel, 1453, blijft de Byzantijnse kunst
zich in menig gebied handhaven.
DE CATACOMBEN
De catacomben, onderaardse begraafplaatsen
De christenen verassen nooit hun doden, doch begraven ze om aldus duidelijk hun
geloof in de verrijzenis en het eeuwig leven te belijden. Naar Romeinse gewoonte
geven ze hun doden een laatste rustplaats langs de wegen, buiten de stadsmuren.
Ofwel graven ze in heuvelwanden grafkelders uit, en delven daarna, om nieuwe
doden bij te zetten, steeds diepere gangen in de heuvels. Zo ontstaan de
catacomben of onderaardse begraafplaatsen, soms met verschillende verdiepingen,
niet alleen rond Rome, maar ook in de omgeving van andere oude steden, b.v.
Napels, Syracuse, Alexandrië, Parijs. De meest beroemde catacomben van Rome zijn
die van San Callisto en van San Sebastiano. Tijdens de perioden
van kerkvervolging worden de catacomben ook als schuilplaatsen gebruikt.
Drie soorten christelijke graven
In de catacomben vindt men drie soorten graven. Het diepe schuifgraf, met een
plaat of met tegels afgesloten, komt veruit het meest voor. Het booggraf vindt
men meestal in afzonderlijke kamers : de dode ligt in zijn lengte onder een
halfronde nis, terwijl een horizontale plaat het graf dekt. Vooral in de nissen
en op de vrij gebleven wanden van dergelijke grafkamers treft men tekeningen en
fresco's aan. Het derde soort graf is de van de Romeinen overgenomen sarcofaag,
een lijkkist in steen of marmer.
Heidense invloed op de kunst van de catacomben
Voor wat de inhoud betreft zijn de uitgebeelde thema's genomen uit het Oude en
het Nieuwe Testament. De heidense invloed uit zich echter in de siermotieven,
genieën, maskers, bloemen, arabesken, enz., in de vormgeving, klederdracht, en
in de aangewende techniek, frescoschildering, minerale verfsoorten, enz..
De kunst van de catacomben is symbolisch
In de catacomben trachten de kunstenaars vooral het mysterie van Christus'
eucharistische aanwezigheid uit te drukken, alsmede de motieven die het eeuwig
leven suggereren. In het begin ontlenen de kunstenaars hun motieven aan de
heidenshellenistische schilderkunst en geven er een symbolische betekenis aan :
Eros en Psyche worden zinnebeelden van de onsterfelijkheid, Orpheus zinnebeeld
van de Goede Herder Christus. Doch weldra scheppen zij eigen-christelijke
symbolen, rijk aan betekenis : het hert wordt het symbool van de genade; het
mandje met het brood dat van de Eucharistie; de Chiro en de vis, in het Grieks
ichthus, waarvan de vijf letters de beginletters zijn van Iesous Christos Theou
Uios Soter : Jezus Christus, Gods Zoon, Verlosser, worden het teken van
Christus.
De kunst van de catacomben is christocentrisch
Christus en zijn genadeleven vormen kern en middelpunt van vele symbolische, en
soms historische, taferelen. Talrijke scènes uit Oud en Nieuw Verbond stellen de
verlossing voor : Daniël in de leeuwenkuil, Jonas door het zeemonster
uitgespuwd, de opwekking van Lazarus, de genezing van de lamme, enz ...
Christus wordt bij voorkeur, in fresco en beeldhouwwerk, afgebeeld als de Goede
Herder. Het christocentrisch karakter vinden we nog in de voorstelling van de
Wijzen, waarbij de eerste afbeeldingen van Maria verschijnen, alsook in de
uitbeelding van de sacramenten, vooral Doopsel en Eucharistie.
De orante, een typisch vroegchristelijke figuur
De orante is een biddende figuur met geheven handen. Over de dood heen verwijst
zij naar de hemel, waar de aanschouwing van God het eeuwige geluk der zaligen
uitmaakt. In de eerste eeuwen verschijnt de orante nog als een hellenistische
vrouw, los en levendig, doch gaandeweg verstart de houding, vallen de plooien
van het gewaad weg, getuigt heel de roerloze gestalte van de schroom en de
eerbied tegenover het mysterie van God. De orante is een der zuiverste en
oorspronkelijkste scheppingen van de kunst der catacomben.
Sarcofagen met reliëfs in Romeinse stijl
Sarcofagen worden versierd met reliëfbanden die de christelijke heilseconomie
uitbeelden. Zeer bekend is de sarcofaag van Junius Bassus, ca. 360. De
reliëfs tussen Korintische
zuiltjes tonen aan hoe taai de heidensklassieke
traditie op de christelijke kunst is blijven nawerken.
De catacomben van Sint-Callixtus, rechts aan
de Via Appia,voorbij het kerkje "Quo Vadis?"
Behoren tot de grootste en indrukwekkendste catacomben van heel Rome.Zij
ontstonden in het midden van de tweede eeuw en vormen een uitgestrekte
begraafplaats van bijna 15 hectaren, in een netwerk van gangen bij benadering
20 km. lang. Op sommige plaatsen hebben deze catacomben 4 verdiepingen en een
diepte van meer dan 20 meter.
Tientallen martelaren, 16 pausen en zeer veel christenen vonden hier een graf.
Deze catacomben werden genoemd naar de diaken Callixtus die in het begin van
de derde eeuw door paus Zephyrinus aangesteld werd als beheerder van dit
ondergronds kerkhof. Zo zijn de catacomben van Sint-Callixtus de eerste
officiele begraafplaats van de kerk in Rome.
Aan de oppervlakte bevinden zich twee kleine basilieken "Trichorae" genoemd.
In de oosterse tricora werden waarschijnlijk paus Zephyrinus en Tarcisius, de
jonge martelaar van de eucharistie, begraven.
Het ondergronds kerkhof bevat verschillende gebieden. De cryptes van Lucina,
van de pausen en van de heilige Cecilia zijn de oudste (tweede eeuw). De
andere gebieden worden bepaald met de namen van Miltiades (eerste helft van de
derde eeuw), Gajus en Eusebius (einde van de derde eeuw). Er is nog een
westelijk gebied (eerste deel van de vierde eeuw) en het gebied van Liberius
(tweede helft van de vierde eeuw).
DE BASILIEKEN
De langwerpige christelijke basiliek, een eenvoudig gebouw
Dit type van basiliek bevat drie delen. Vooreerst het atrium of rechthoekig
voorhof, omgeven met open zuilengangen wanneer het atrium ontbreekt, is er toch
een overdekte voorhal of narthex. Het schip bestaat uit een brede middenbeuk en
twee of vier zijbeuken, die lager zijn dan de middenbeuk, zodat het licht door
de boven geplaatste vensters in de kerk kan vallen. Aan het schip verbonden is
het presbyterium of priesterkoor dat met een halfronde apsis het kerkschip
afsluit. In de apsis staat de cathedra of zetel van de bisschop, en zijn er ook
zitbanken voor de priesters. Op de grens van middenschip en koor bevindt zich
het altaar, aanvankelijk een draagbare tafel, maar later vaststaand en met een
baldakijn of ciborium overhuifd.
Ondanks hun eenvoudige bouw zijn deze basilieken indrukwekkend door de
afmetingen, de juiste verhoudingen, de zuivere lijn die naar het altaar
verwijst. De basilieken van Sint-Jan van Lateranen, opgericht door Constantijn,
van Sint-Paulus buiten de Muren, van Sint-Maria de Meerdere en van Sint-Sabina
behoren tot de oudste kerken van Rome.
Doopkerken en grafkerken met centraalbouw
Naast langwerpige basilieken treft men ook kerken aan met centraalbouw, vooral
in het Oosten. De centraalbouw wordt in deze vroege periode vooral toegepast bij
doopkerken of baptisteria, b.v. te Rome dit van Sint-Jan van Lateranen, en te
Ravenna het katholieke en het orthodoxe baptisterium. Ook grafkerkjes, opgericht
boven het graf van bekende personen, hebben een centrale plattegrond,
cirkelvormig zoals dit van Santa-Costanza, ter ere van de dochter van
Constantijn, te Rome, of kruisvormig zoals dit van keizerin Galia Placidia te
Ravenna.
Kleurrijke mozaïeken op muren en gewelven
In de kerken van het vroege christendom treft ons de pracht van gewelf- en
muurbekleding, die vooral in de langwerpige basilieken contrasteert met de
architectonische eenvoud. In schitterende, rijke kleuren - met blauw of goud als
achtergrond - versieren mozaïeken de apsiskoepel en de bovenmuren van de
middenbeuk, waarop het meeste licht valt. Zij stellen bijna altijd de
zegevierende Christus met zijn apostelen voor.
Een nieuwe geest spreekt uit deze mozaïeken. De besloten tijd van de catacomben
is voorbij, het christendom ademt vrij en dit vindt zijn weerglans in de kunst,
die officiëler, triomfantelijker, ook pompeuzer wordt : Christus toch is een
zegevierende koning, al is Hij niet van deze wereld. De stijl der mozaïeken is
ofwel holistisch, zoals in de Santa-Costanza - decoratief gewelfmozaïek, helder
mozaïek op witte ondergrond, hellenistisch van opvatting en uitwerking - ; ofwel
Byzantijnhellenistisch, zoals in de Sint-Maria de Meerdere; ofwel eerder
Romeinsverhalend, zoals in de Santa-Pudentiana - Christus als leraar bij de
apostelen, apsismozaïek, klare, Romeinsrealistische uitwerking -.
Baptisterium (Gr., baptisterion = oorspronkelijk:
waterbekken; later doopvont; Ital.:
doopkapel)
Is de naam van het gebouw waar in de vroegchristelijke periode
vanaf de 4de eeuw de catechumenen, staande in een in de vloer aangebracht
waterbassin , werden gedoopt. De kapel was vrijstaand. De vorm was steeds
achthoekig. In het midden stond het achthoekige waterbassin, piscina. Vaak had
het baptisterium een eigen altaar dat gewijd was aan Johannes de
Doper. Tot de 8ste eeuw waren de doopbassins zo diep dat de dopelingen tot
hun middel er in konden staan. Karel de Grote schreef voor dat voortaan de doop
diende te worden toegediend aan de kinderen in hun eerste levensjaar. En dat
leidde tot het invoeren van de doopvont. De versiering bestond uit
mozaïeken of fresco's, met
voorstellingen van de doop van Christus in de Jordaan, de doortocht door de Rode
Zee of de herten bij de waterbron.
|