ANDALUSIË, geschiedenis en culinaria, Naar regio-overzicht van Andalusië. Naar Stedenlijst Spanje. Naar regiokaart Spanje. Naar uw accommodatie!
 
Regio Andalusië
Bestaansmiddelen Geschiedenis  
Culinair Andalusië
Conserveringsmethode Gazpacho & Co Granaatappel
Culinaire erfenis van de Arabieren Jamón serrano uit Trevélez Fruitparadijs Andalusië
Sherry Brandy de Jerez Tonijn en Majoma
Olijven en olijfolie Accommodatie in Spanje
** Uw accommodatie in Andalusië kunt U goed boeken via Booking Andalusia . Er zijn 1334 hotels online boekbaar. Laagste prijsgarantie! Makkelijk reserveren. Geen kosten.
Populairste steden zijn:  Sevilla  -  Málaga  -  Granada   -  Córdoba   -  Marbella   -  Torremolinos   -  Ronda   -  Nerja   -  Fuengirola   -  Jerez de la Frontera  -  Almería   en Benalmádena

** U vindt bij Booking meer dan alleen hotels o.a.:
  Appartementen - Resorts  - Villa's  - Hostels  - Accommodaties met onsen - Bed & Breakfasts  - Pensions  - Motels  - Ryokans  -  Vakantieboerderijen  - Vakantieparken  - Campings  -  Botels  - Herbergen  -  Aparthotels  -  Vakantiehuizen  -  Lodges  - Accommodaties bij particulieren  -  Landhuizen  -  Luxe tenten  - Capsulehotels  -  Lovehotels  - Riads  - Luxe Chalets

    
Bestaansmiddelen
     

Andalusië is voornamelijk agrarisch. Grootgrondbezit overheerst, met name in West-Andalusië. In het Guadalquivir bekken verbouwt men  citrusvruchten, graan, olijven, vijgen, tabak, katoen en zonnebloem voor olie winning. Op de vegas, bevloeide vlakten, tussen de bergketens liggen olijf- en amandelbossen en wijngaarden. Wijnbouw is er vooral rond Jerez de la Frontera, sherry, en Málaga. Ook wordt er kurk gewonnen in de Sierra Morena, die begroeid is met kurkeiken. Visserij vindt plaats in de kustplaatsen. De Sierra Morena is rijk aan kopererts, lood, ijzererts, zilver en uraan. De industrie is  geconcentreerd in de provinciehoofdsteden. In de provincie Almería wordt zeezout gewonnen. In de jaren zestig en zeventig raakte het platteland van Andalusië door arbeidsmigratie naar West-Europa en Catalonië gedeeltelijk ontvolkt. Van groot belang  zijn de inkomsten uit het toerisme langs de kust en naar de historische steden Granada, Córdoba, Sevilla.

Geschiedenis     
In de vroegste tijden werd Andalusië bewoond door de Turteren, een vredelievend volk, dat zich niet tegen een veroveraar kon  verdedigen. De Feniciërs stichtten hier bloeiende koloniën, zoals Tartessus, Sevilla en Cádiz. Later veroverden de Carthagers de kusten.. In tweede eeuw v.C. werd Andalusië, als deel van Baetica, een wingewest van de Romeinen. Van hier uit vestigden zij  hun gezag over heel Spanje. Seneca, een dichter, Lucanus, een wijsgeer en Trajanus, een keizer, komen uit deze streek. Handelsvaartuigen van Cádiz en Sevilla voeren  naar alle nabij gelegen zeeën. In de 5de eeuw drongen de Vandalen en Alanen uit Galicië en Asturië. Zij werden op hun beurt door de Visigoten verdrongen. In de 6de eeuw heersten zij over geheel Spanje. In de 7de eeuw  werden die verslagen door de Moren en werd Córdoba tot het middelpunt gemaakt. Meer dan zeven eeuwen hebben de Moren hun stempel op Andalusië gedrukt. De overwonnen Goten behielden vrijheid van godsdienst en moesten schatting  betalen. De landbouw bloeide en kunsten en wetenschappen ontwikkelden zich. Koning Ferdinand III ,1233–1250, van Castilië verdreef de Moren. De onverdraagzame christenen verdreven de  vreedzame en ontwikkelde bewoners naar Afrika. Granada bleef nog lang Moors, dus mohammedaans. In 1492 werd Granada door de legers van Aragón en Castilië veroverd.

Conserveringsmethode    
Toen de eerste -mensen een vaste woonplaats kozen, zagen ze zich genoodzaakt levensmiddelen houdbaar te maken. Door landbouw en veeteelt beschikte men na de oogst en de slacht over een grote hoeveelheid voedsel, die men niet in één keer op kon eten. Bovendien was het wel zo verstandig voorraden aan te leggen voor magere tijden.
Een van de oudste conserveringsmethoden, die ongetwijfeld bij toeval ontdekt is, is het drogen. Het principe is eenvoudig: door toevoer van warmte en het onttrekken van vocht worden schimmel en rottingsbacteriën het leven onmogelijk gemaakt. In hete, droge streken past men de methode simpelweg toe door het voedsel in kwestie aan de zon bloot te stellen. Zo droogt men kleine rode paprika’s, die vervolgens gemalen en als kruiderij gebruikt worden. Ook rozijnen en gedroogde vijgen ontstaan op deze manier. Inmiddels zijn er ook speciale installaties ontworpen die gebruikt worden om levensmiddelen te drogen.
Bij de bacalao, de geliefde stokvis, combineert men het drogen met zouten of pekelen.
Met zout, dat altijd al gemakkelijk uit zee te winnen was, kon men behalve diverse vissoorten ook vlees en groente houdbaar maken.
Melkzuurgisting is ook een traditionele methode om groente te conserveren.
De natuurlijke melkzuurbacteriën in de groente zetten koolhydraten -met name vruchtensuiker- om in melkzuur. Dit zuur, waarvan men de werking vaak versterkt door kookzout toe te voegen, belemmert de groei van organismen die het voedsel doen bederven.

De oude Egyptenaren, de Assyriërs en de Babyloniërs kenden reeds het inmaken in azijn.
Ze hadden gemerkt dat alcoholische dranken na verloop van tijd in azijn veranderden en bereidden er zure gerechten mee. Bovendien gebruikten ze azijn om vlees en groente houdbaar te maken. De Moren introduceerden deze methode in Spanje, waar men ook vis ging inleggen - boquerones en vinagre (ansjovis in azijn) zijn er nog steeds populair. Bij het inleggen in alcohol maakt men gebruik van de desinfecterende werking van spiritualiën. Duizenden jaren geleden ontdekten de bewoners van het Middellandse-Zeegebied - ook het inleggen in olie. Groente, vis, worst en kaas blijven in olie lang goed en hun smaak wordt intenser, zoals geitenkaas in olijfolie bewijst. Voor het roken van vis of vlees laat men hout, in de vorm van spaanders, meel en takjes, smeulen. De rook heeft een drogende werking en doodt bacteriën. Bovendien kan men door bepaalde houtsoorten, kruiden en specerijen de geur en smaak van het product beïnvloeden. Minder oud is het wecken, waarbij men vlees, groente of fruit kookt, met of zonder suiker, en in glazen potten doet, die luchtdicht afgesloten worden. Ook diepvriezen belemmert de activiteit van schadelijke organismen. Groente moet voor het invriezen geblancheerd worden.

Gazpacho & Co     
"Del gazpacho no hay empacho", luidt het spreekwoord: 'Van gazpacho krijgt niemand een bedorven maag." De koude groentesoep gazpacho andaluz heeft de wereld veroverd als pittig, licht verteerbaar tussendoortje en heerlijk verfrissend hapje op warme zomerdagen. Al voor de Romeinse tijd maakten herders een soort gazpacho van oud brood, knoflook, azijn, olie en water. Gazpacho stilt de honger, lest de dorst en voorziet het lichaam in de verzengende hitte van zout en vitaminen. De benaming gazpacho is afgeleid van het Latijnse woord caspa voor 'restant' of 'kleinigheid, , dat ook terug te vinden is in de gazpacbos manchegos uit La Mancha. Hiervoor gebruikt men echter geen koude groente, maar klein gesneden wild, en bovendien worden ze warm gegeten. De basis van de klassieke gazpacho andaluz is een mengsel van brood, knoflook, azijn en olie. De laatste twee ingrediënten dienen van zeer goede kwaliteit te zijn, want in de volksmond heet het dat 'men met slechte azijn, en nog slechtere olie geen goede gazpacho kan maken'. Aan het mengsel voegt men stukjes tomaat, paprika en komkommer toe. Vroeger werd alles fijngestampt in de vijzel, tegenwoordig is het geen schande meer een staafmixer te gebruiken. Bij de gazpacho, die gekoeld geserveerd wordt, geeft men in aparte schaaltjes tropezones, stukjes geroosterd brood, tomaat, komkommer, paprika, ui of hardgekookt ei, die iedereen naar believen door zijn soep roert. Een variant van de gazpacho is de salmorijo cordobés, die in plaats van gemengde groente alleen tomaten bevat en verrijkt wordt met ham, tonijn of ei. Uit Málaga komt de ajo blanco (letterlijk: 'Witte knoflooie), een koude soep van knoflook, jonge amandelen, witbrood, azijn en olie. In Málaga geeft men er moscateldruiven, rozijnen of partjes appel bij. Ajo colorado (rood knoflook) is een soort puree van aardappelen, tomaten, paprika, ui, olijfolie, knoflook en zout, die warm gegeten wordt. Traditioneel serveert men er in olie gebakken maïspannenkoekjes bij.

Granaatappel     
Als u een granaatappel eet, eet hem dan met het vruchtvlees, want dit looit de maag, en elk pitje dat zich in de maag van een mens bevindt, verlicht zijn hart en brengt de duivel, die hem kwaad influistert, veertig dagen tot zwijgen." Begin 7e eeuw beschreef Abdullah Ibn Abbas, ver familielid van de profeet Mohammed, in deze verheven taal de werking van de granaatappel, waarvan men beweerde dat hij altijd door een druppel water uit het paradijs bevrucht werd. Vermoedelijk brachten de Carthagers de uit Azië afkomstige granaatappelstruik drieduizend jaar geleden naar het Iberisch schiereiland. Joden en Arabieren kweekten granaatappels in Andalusië e noemden er zelfs een stad naar: Gharnata. Later veranderde deze naam in Granada en nog steeds de granaatappel het embleem van de stad. Zowel de joden als de moslims beschouwden de stralend rode granaatappel als het symbool van vruchtbaarheid en vernieuwing. De Arabieren gebruikten hem in dranken en bij vleesgerechten. Een aftreksel van de bloempjes zou helpen tegen bloedend tandvlees. Vroeger doopte men de vruchten met hun harde scil in hete pek en hing men ze aan een snoer op. Zo bleef het binnenste lang vers en sappig

Culinaire erfenis van de Arabieren    
Met de verovering van grote delen van Spanje in de 8e eeuw deed de luxe zijn intrede in het tot dan toe Spartaanse leven van de inheemse bevolking van al-Andalus, zoals de Arabieren deze streek noemden. Ze introduceerden openbare baden, hulden zich in dure stoffen en geurden naar etherische oliën. Ze drukten hun stempel op de architectuur en brachten hun kennis van de geneeskunde, de wapentechniek en de vervaardiging van keramiek en zijde mee. Hun keuken diende niet alleen om de honger te stillen maar ook om de smaakpapillen te prikkelen, wat in het bijzonder in hun geraffineerde zoete gerechten tot uiting kwam.
In de landbouw introduceerden de Arabieren hoog ontwikkelde irrigatiesystemen en bemestingsmethoden.
Ook teelden ze gewassen die daarvoor onbekend waren op het Iberisch schiereiland. Van de Perzen, die al handel dreven met India en China, betrokken ze rijst, suikerriet en aubergines. Uit Egypte haalden ze honingmeloenen, uit Afrika watermeloenen en uit Constantinopel vijgen. Ze verbreidden de Voor-Aziatische citrusvruchten, perziken en abrikozen, johannesbrood en kweeperen, amandelen en pistachenoten tot aan de kust van de Atlantische Oceaan. Later kwamen daar dadels uit Irak en koffie uit Jemen bij. Het vervoer over grote afstanden noopte tot het ontwikkelen van conserveringsmethoden als het drogen van vruchten en het inmaken van vruchten in honing. Ook kruiden en specerijen speelden een belangrijke rol in de keuken van al-Andalus. Erg populair waren basilicum, komijn, koriander, saffraan, anijs, munt, gember en jasmijn, naast amandelen, pistachenoten, pijnboompitten, sesam, tamarinde en kaneel. Veel woorden in de Spaanse taal herinneren aan het feit dat de teelt van tal van gewassen op het Iberisch schiereiland door de Arabieren ingevoerd of verbeterd is. Denk hierbij vooral aan de woorden die met het Arabische lidwoord al- of a- beginnen, zoals alcachofa (artisjok), albaricoque (abrikoos), almendra (amandel), azafrán (saffraan), azúcar (suiker), arroz (rijst) en aceite (olie). Ook begrippen als naranja (sinaasappel), berenjena (aubergine) en zanahoria (peen) hebben Arabische wortels.

Als eiwitbron gaven de Arabieren de voorkeur aan schapen- en lamsvlees en aan vis en ze brachten hiervoor de geschiktste bereidingswijzen mee, waarbij ze zich hadden laten inspireren door Perzische koks en Egyptische en Turkistaanse gewoonten.
Ze combineerden vlees en vis met vruchten, kruiden en specerijen en bedachten gerechten als tonijn met morellen, stokvis met sinaasappel, schapenvlees met abrikozen en lamsvlees met een saus van munt of komijn. De Arabieren introduceerden de in Spanje nog.steeds populaire rijstpudding met honing en ook allerlei amandelgebakjes en koekjes, kweeperenmarmelade en gevulde dadels met noten en amandelen zijn van hen afkomstig. Al raakten veel culturele verworvenheden van toen in vergetelheid toen de christenen Spanje heroverd hadden, de kunst van het zoetigheid bereiden is niet verloren gegaan: in tal van kloosters houden nonnen deze traditie hoog.

Fruitparadijs Andalusië     
De naam alleen al doet exotisch aan: Costa Tropical noemen de Andalusiërs de landstreek in de provincie Granada met plaatsen als Motril, Almuñécar en Salobreña. Massieve bergketens beschutten deze kustvlakte tegen de koude winden uit het noorden en de zon schijnt er tot in de winter, zodat hier inderdaad tropische vruchten gedijen. Behalve suikerriet, dat wordt gebruikt voor de bereiding van rum, groeien hier mango's en maracujás, papaja’s en paraguaya’s, mispels en limoenen, kaki's en avocado's. Zelfs met lychees experimenteren de telers aan de Costa Tropical. Cherimoya
Hier gedijt ook de cherimoya, een tropische vrucht die zelden bij de groenteboer te vinden is. 
Pogingen om de smaak te beschrijven, doen dan ook heel exotisch aan: ze gaan van een mengeling van ananas, aardbei en banaan tot de zoete verlokking van frambozen met room. De cherimoya (Annona cherimolia) kwam oorspronkelijk alleen voor in de Andes in Zuid-Amerika, maar is al heel lang bijna inheems aan de Costa Tropical, waar het nooit vriest, en op de Canarische Eilanden. Deze groenige geschubde boomvrucht behoort tot de groep van de tropische roomappels en wordt ook wel jamaica-appel genoemd. Onder de kwetsbare schil zitten in het zoete vruchtvlees talrijke grote zwarte pitten schuil. Bijna de totale opbrengst cherimoya’s, die in Andalusië op ca. 3350 ha geteeld en in oktober geoogst wordt, blijft in het binnenland. In de omgeving van Motril maakt men er een fruitige likeur van.

Kaki  
In de wintermaanden hangen in Andalusië tot op 1000 m hoogte glanzende kaki's aan de kale takken.
De stralend oranje vruchten van de kakiboom zien eruit als grote, iets verbleekte tomaten, maar zijn in feite zeer nauw verwant aan de sharonfruit. De kakiboom is een ebbenhoutgewas dat uit China stamt. In Spanje werd hij aanvankelijk als sierplant gekweekt in parken en tuinen. Pas vijftig jaar geleden ontdekte men de culinaire kwaliteiten van de vruchten. Tegenwoordig teelt men de kaki vooral in de kuststreken van de provincies Granada en Valencia. De smaak doet denken aan abrikoos, perzik en peer.

Rozijnen uit Malaga 
Rozijnen uit het bergachtige achterland van de provincie Málaga werden in de 18e eeuw al heel Europa verhandeld als verfijnde lekkernij.

Tegenwoordig produceren ruim 2400 kleine boeren in 35 dorpen jaarlijks 19 ca. 1,7 miljoen kg pasas de Málaga met het keurmerk D.O. Meestal gebruikt men hiervoor druiven van de soort moscatel de Alejandría. Na de pluk in augustus en september spreidt men ze uit op speciale droogvlakten (paseros) op zuidelijke hellingen. De rijpste druiven legt men aan de rand, want die drogen het snelst en zo kan men ze gemakkelijker verzamelen. De drogende druiven moeten steeds weer met de hand gekeerd worden. Als er regen of mist op komst is, legt men er dekzeilen overheen. Het duurt tot december of januari voordat de druiven gelijkmatig gedroogd en donker genoeg zijn. Van topkwaliteit zijn de bijzonder grote en gelijkmatig gerijpte rozijnen, die als hele tros (racimo) op de markt komen. De losse rozijnen zijn tweede kwaliteit. Ze worden niet van de steeltjes geplukt, maar voorzichtig afgeknipt, met een speciale schaar, zodat ze niet beschadigd raken. De beste, met de hand uitgezochte rozijnen worden stuk voor stuk in kratjes van populierenhout gelegd en met papier afgedekt en w komt de kostbare waar in de handel.

Sherry      
"Als ik duizend zonen had, zou ik hen voorhouden, als het hoogste menselijk gebod, waterige dranken af te zweren en zich te laven aan sherry?', dweept ridder Falstaff in Shakespeares tragedie Hendrik IV Al drieduizend jaar worden er in het westen van Andalusië druiven verbouwd, maar sherry is waarschijnlijk pas in de 13e of de 14e eeuw uitgevonden. In die tijd ontdekten Andalusische zeelieden op hun reizen dat wijn lang goed bleef als er wijngeest aan toegevoegd was. Zo ontstond de oervorm van sherry. In 1587 deed Sir Francis Drake een inval in Cádiz, waarbij hij 2900 vaten sherry meegenomen zou hebben, die in de haven opgeslagen lagen en voor de Spaanse armada bestemd waren. Van toen af aan verscheepten Britse zeelieden regelmatig sherry uit Jerez de la Frontera naar hun land, waar de drank populair werd. De Arabische naam Xeris, uitgesproken als sjeriesj voor de stad Jerez werd door de Engelsen verbasterd tot sherry.

Deze benaming is tegenwoordig gereserveerd voor wijn uit de 'gouden driehoek die de steden Jerez de la Frontera, Sanlúcar de Barrameda en El Puerto de Santa Maria in de provincie Cádiz vormen. 
De druiven groeien opwitte krijtgronden (albarizas), die elke druppel water in deze regenarme streek opzuigen. Op 94% van de grond teelt men de druif palomino fino, die bij uitstek geschikt is voor de bereiding van sherry, en voor de rest pedro ximénez en moscatel, die de wijnen zoeter moeten maken.

Allereerst laat men de most van de palomino-druiven gisten tot een droge witte wijn. 
Deze wordt met wijngeest op een alcoholgehalte van 15 á 16% gebracht en in eikenhouten vaten gedaan, die men voor tweederde vult, zodat de vochtige en zuurstofrijke lucht van de Atlantische Oceaan erin door kan dringen. Het eerste jaar brengt de wijn door in de koelte van de bodega. De grof gevlochten matten van espartogras voor de ramen laten weinig licht door, maar de zeewind heeft vrij spel. Onder deze omstandigheden vormt zich op de jonge wijn al na een paar weken een witte laag gistschimmel, de zogenaamde flor (bloem). Na zes tot tien maanden proeft de keldermeester de wijn voor het eerst om te zien hoe hij zich ontwikkelt. Met zijn venencia, een smalle zilveren beker aan een lange stok, neemt hij uit elk vat wat wijn, die hij test op kleur, helderheid, geur en smaak. Vooral de hoedanigheid van de wattige schimmellaag bepaalt de toekomst van de Wijnen. De keldermeester noteert zijn bevindingen met krijtstrepen op het vat. Wijnen met een bijzonder mooie flor zijn bestemd voor fino. De laag schimmel groeit aan en voorkomt oxidatie van de wijn. Bovendien ontleent dit type sherry zijn kenmerkende kruidigheid en zijn vleugje bittere amandelen aan de schimmel. Wijnen zonder flor worden opgevoed tot oloroso. Men voegt er opnieuw wijngeest aan toe, zodat ze 18 tot 20 % alcohol krijgen. De gistcellen gaan dood en de wijn rijpt door in verbinding met zuurstof uit de lucht. Langzamerhand wordt hij donkerder, geuriger en voller. Een amontillado komt voort uit een rijpende fino waarvan de schimmellaag is afgestorven, zodat de wijn zich verder onder invloed van lucht ontwikkelt. Voor een zoete sherry voegt men aan een oloroso of een amontillado zoete, van pedro ximénez of moscatel gemaakte wijn toe.

Typerend voor alle traditionele sherry’s is het jarenlange verouderingsproces, solera genaamd.  
Het solera-systeem bestaat uit minstens drie rijen op elkaar gestapelde vaten. De vaten met de oudste wijnen, de soleras (van suelo, 'vloer') liggen onderop. Hieruit haalt de keldermeester om de zoveel tijd een bepaalde hoeveelheid wijn. Deze wordt vervangen door dezelfde hoeveelheid uit de volgende criadera-laag, die weer wordt aangevuld met wijn uit de laag daarboven. Dit gaat zo door tot de vaten in de bovenste laag weer met jonge wijn gevuld zijn. In de loop der jaren verhuist de sherry in stapjes van boven naar beneden. Ondertussen rijpt de wijn, doordat jongere sherry steeds weer een 'huwelijle aangaat met oudere. Sherry moet minstens drie jaar rijpen, maar in de meeste bodega’s laat men hem veel langer liggen. Bij heel fijne, oude sherry staat de jaargang van de oorspronkelijke wijn op het etiket. Zo kunt u een sherry voorgezet krijgen waarvan de solera halverwege de 19&,eeuw is begonnen. Enkele druppels van het edele vocht zijn dan wel 150 jaar gerijpt.

Soorten sherry     
Fino
Deze lichte, goudgele, droge sherry heeft een iets bitter aroma, dat bepaald is door de vorming van de schimmellaag op de wijn in het vat. Kenmerkend is het vleugje amandel. Het alcohol- gehalte is 15,5 tot 17%. Fino is een klassiek aperitief, dat de laatste tijd ook in een lichte variant, met 15% alcohol, in de handel is. In Andalusië drinkt men fino ook bij het eten.
Manzanilia
Deze lichte, zeer droge fino mag alleen uit Sanlúcar de Barrameda komen. Door het bijzondere microklimaat aan de Atlantische kust 'bloeit' de schimmellaag, die de wijn behoedt voor oxidatie en hem een zeer kruidig aroma verleent, het hele jaar door (in Jerez de la Frontera alleen in de lente en de herfst). Zo krijgt manzanilla zijn droge, bittere kruidigheid en zijn zilte geur en smaak.
Amontillado
Als fino lang genoeg rijpt, sterft de gistschimmel. De wijn oxideert en wordt donkerder en geuriger. Amontillado heeft een alcoholgehalte van 16 tot 18% en is droog of halfdroog. Behalve het krachtige bouquet, dat aan noten doet denken, is een bittere toets kenmerkend.
Oloroso
Deze sherry is door de inwerking van zuurstof uit de lucht geoxideerd en heeft nooit flor gehad. Hij is donker en vol, met een weelderig aroma van noten en vaak wat restsuikers. Hij is droog of halfdroog en bevat 18% tot 20% alcohol.
Pale Cream
Hieronder verstaat men een fino van palomino-druiven, die versterkt is met geconcentreerd druivensap, waardoor hij de kenmerkende zoete smaak heeft gekregen.
Cream
Deze sherry ontstaat door vermenging van oloroso met zoete wijn van pedro ximénez. Hij is zoet, geurig en donker, met een mahonieglans.
Palo Cortado
Deze in geringe hoeveelheden geproduceerde sherry houdt het midden tussen amontillado en oloroso. Hij rijpt zonder  flor, is donker van kleur en bevat 18% tot 20% alcohol.
Pedro Yiménez
Deze fluwelige zoete wijn met de donkere kleur van mahoniehout en een aroma van rozijnen bevat 17% alcohol.
Hemelse verlokkingen

Enkele kloosterorden hebben hun zoete geneugten uitgerekend aan moslims te danken.
'De Moren brachten de kunst van de bereiding van zoetigheid naar Spanje. Ook de zondige Wijn speelde een rol in de geschiedenis van de lekkernijen uit de kloosters. Voor het klaren van sherry en rode wijn werd vroeger namelijk geklopt eiwit gebruikt. De dooiers die overbleven, gingen als aalmoes naar de kloosters, en de nonnen maakten er zoetigheid van voor de verkoop of als dankbetuiging aan gulle gevers. Toen dergelijke begunstigers steeds zeldzamer werden, pakten de kloosters het anders aan: ze begonnen de zoetwaren direct te verkopen om in hun levensonderhoud te voorzien.
In het klooster San Leandro in Sevilia leven nog twaalf augustijner nonnen.
Ze produceren de beroemde yemas, de verrukkelijke eierkoekjes, waarvan het recept uit de 15e eeuw stamt en die in principe nog precies zo worden gemaakt als in de Middeleeuwen. De enige vernieuwing in de bakkerij van het klooster is een mengmachine en een speciaal apparaat dat het eiwit scheidt van de dooier.
De nonnen van Santa Inés bakken luchtige balletjes van meel, suiker en sesampoeder  
(bollitos de Santa Inés), gebakjes met suiker, anijs en een vleugje olijfolie (tortas de aceite), gevulde koekjes (cortadillos) met sukade en pompoen- of appeljam en zandtaartjes en koekjes van reuzel met chocola of amandelen (polvorones en mantecados).
In het klooster Santa Paula verkopen de nonnen in een winkel op de binnenplaats naast met pompoenmoes gevuld gebak (cabello de ángel) heerlijke marmelades van perzik, kweepeer, sinaasappel en heel bijzonder tomaat. 
Ook in de provincie, in het klooster Santa Clara in Alcalá de Guadaira bijvoorbeeld en in Bormujos, Lebrija, Marchena en Morón de la Frontera, verkopen kloosterlingen zelfgemaakte zoetigheid. Bij sommige orden mogen de nonnen zich nog steeds niet aan hun bezoekers vertonen. Hier opent belgerinkel de weg naar het zoete paradijs. Achter een houten draaideur, de torno, klinkt een vrouwenstem, die de klant vraagt wat hij wenst. Deze geeft zijn bestelling op en legt het geld, gepast graag, op de houten plaat in de draaideur. Daarna draait de onzichtbare van binnenuit de torno. De klant neemt de waar in ontvangst en aan de andere kant incasseert de non het geld. Dorpsbewoners groet ze soms met een zacht "Deo gratias", waarop zij 'Ave Maria purísima' zeggen.

Aanbevolen 
*  Het boek Andalusië met tekst van Éliane Faure en foto's van o.a. Christian Sappa. Hoa Qui is het fotoagentschap. Uitgave van Librero b.v., Hedel. Foto's uit dit boek zijn in deze site aangeduid met de naam "Hoa Qui".

*  Voor wie echt alles over over Spaanse specialiteiten wil weten: CULINARIA ESPAÑA, Könemann.  Geeft warenkennis, achtergrondinformatie, wetenswaardigheden en 220 recepten. Voor veel van de hier gegeven informatie is dit boek de bron! Van Uitgeverij Könemann is ons geen URL, WAP of EMAIL bekend
O.T.S.T.A
. / Turismo Andaluz, S.A.
Ctra. Nal 340,km 189.6 - Marbella Es..
Tel.: +34.95.283.87.85 - Fax: +34.95.283.63.69.. 
E.mail: otsta@turismo-andaluz.com 
Een uitstekende kaart is: Mapa Turístico de Andalucía. 
Oficina de Turismo    
Paseo de la Castellana, 15-2 Edrcha. - 28046 Madrid.  - Tel.: +34.913.080.440. Fax: +34.913.080.427.  - E-mail: info@andalucia.org
 
** Voor geheel Spanje kunt u goed uw accommodatiels bezochten! U kunt de ligging van de hotels via Google Earth bekijken!
** U vindt bij Booking meer dan alleen hotels o.a.:
  Appartementen - Resorts  - Villa's  - Hostels  - Accommodaties met onsen - Bed & Breakfasts  - Pensions  - Motels  - Ryokans  -  Vakantieboerderijen  - Vakantieparken  - Campings  -  Botels  - Herbergen  -  Aparthotels  -  Vakantiehuizen  -  Lodges  - Accommodaties bij particulieren  -  Landhuizen  -  Luxe tenten  - Capsulehotels  -  Lovehotels  - Riads  - Luxe Chalets