|
GALICIË en de ZEE
Naar overzicht regio Galicië
Galicië land van vissers
Elk jaar voeren 19.000 schepen met een totale registertonnage van een
half miljoen bijna 1,4 miljoen ton vis aan: de Spaanse vissersvloot de
grootste van Europa, vraagt om superlatieven. Telkens ontdekt men weer
nieuwe visgronden en vangsttechnieken, want de markt voor vis lijkt
onverzadigbaar. In tegenstelling tot de Middellandse Zee, die grotendeels
leeg gevist is herbergt de koude, zuurstof- en voedselrijke Atlantische
Oceaan nog enorme hoeveelheden en een grote verscheidenheid aan
consumptievis. Door de ligging in het noordwestelijke puntje van Spanje is
de geschiedenis van Galicië al eeuwen verbonden met de scheepvaart en de
visserij. Sinds de opkomst van de grootschalige visserij, na de ontdekking
van de rijke visgronden voor Newfounland in de 16e eeuw, varen de
Galiciërs op de Atlantische Oceaan uit.
De grote vraag op de binnen-en buitenlandse markt, de gedecimeerde
visstand in bijna alle wereldzeeën en de genadeloze internationale
concurrentie hebben ertoe geleid dat de vissersvloot tegenwoordig bijna
over wereld opereert. Ultramoderne trawlers varen tot aan de kust van
Canada, Zuid-Amerika en Afrika. Boordcomputers registreren de aanwezige
visscholen en de toestand van de zeebodem. De gevangen vis wordt vaak
direct aan boord al gesorteerd en gefileerd, zodat hij onmiddellijk na
aankomst in de haven door de Galicische conserven industrie verwerkt kan
worden. Enkele van de beste producten, die internationaal zeer gewild
worden meteen uitgevoerd naar diverse Europese landen, Australië en Azië.
Ze belande op geen enkele Spaanse visafslag. De Galicische vissers
verkopen bijvoorbeeld grote hoeveelheid zwarte heilbot (fletán negro),
die ze voor Newfounland op 1000 tot 1500 m diepte vangen, rechtstreeks aan
Japan, waar de vis recordprijzen doet.
Vigo, dat in totaal 500.000 inwoners telt, is de grootstee stad van
Galicië en wordt vaak geprezen als “het Barcelona van de Atlantische
kust”. De stad is de belangrijkste vissershaven van Spanje en de op twee
na grootste van Europa. Elke dag publiceert de lokale krant de nieuwste
prijzen voor vis en schelpdieren. De stad leeft immers van de handel in de
schatten van de zee, van de daarmee verbonden conservenindustrie en de
productie van vismeel en visolie. Verse vis gaat van Vigo en A Coruña met
modern transport naar de grote steden in het Spaanse achterland, met name
naar Madrid en Barcelona.
Visafslag
▲
's Ochtends vroeg in de haven van A Coruña. In de nacht zijn enkele
trawlers met een behoorlijke lading vis binnengelopen. De vangst wordt
onmiddellijk aan land gebracht, op soort, grootte en kwaliteit gesorteerd
en naar de veilinghal (lonja) gebracht. Hier heerst ook voor zes
uur 's morgens een onbeschrijflijke drukte. Tientallen tussenhandelaren,
de asentadores, benen door de hal en beoordelen met de snelle blik
van een kenner de @diverse kwaliteitsklassen die in kisten naast elkaar
staan en zo dadelijk geveild zullen worden: zwaardvis, sardines,
kabeljauw, heek, zeekreeft, langoesten en verschillende soorten tonijn.
Sommige handelaren schreeuwen druk gebarend in hun zaktelefoon om de
laatste prijsafspraken met hun klanten te maken, anderen noteren hun
oordeel op een briefje. Het gaat beginnen. De asentadores gaan
zitten. Een lading sardines komt onder de hamer: 200 kg in totaal, 300
pesetas per kilo. De beginprijs staat op een grote veilingklok te lezen.
Dan beweegt de wijzer langzaam naar beneden: 299, 298, 297... Geen van de
mogelijke kopers hapt nog toe. De prijs zakt verder naar 295, 294 en de
spanning stijgt. 291, 290... Daar! Een van de asentadores heeft op de knop
gedrukt. De klok staat stil en de sardines hebben een koper gevonden. Voor
290 pesetas per kilo. Sommige handelaren blijven aarzelen. "Te duur",
vinden ze. "Straks daalt de prijs wel verder." Het zijn echte profs, die
de koersen van de andere visafslagen in het land uit hun hoofd kennen. De
best geïnformeerde handelaren weten bovendien dat er de komende dagen nog
een paar trawlers met sardines verwacht worden.
De asentadores moeten zich officieel bij de lonja laten registreren. Ze
moeten een licentie hebben en zeer ervaren zijn. Soms krijgen ze maar een
paar seconden om de kwaliteit van een partij in te schatten. Ze moeten het
dan in zeer korte tijd met hun klanten eens worden en vaak moeten ze een
zeer dikke portemonnee bij zich hebben om de voordeligste, grote partijen
op te kunnen kopen.
Met behulp van de veilingklok wisselen deze morgen nog een paar ton vis
van eigenaar. Een deel van de lading, waaronder een grote vangst
zwaardvis, wordt zonder de klok geveild. "Se canta", zegt men hier, "er
wordt gezongen." Een vertegenwoordiger van de lonja roept de vraagprijs af
en werkt de prijzen af. 489, 488, 487 - tot een van de handelaren een luid
en duidelijk “Mia!” laat horen. "Voor mij!"
Eendenmosselen
▲
De eendenmossel stelt het geduld van de Galiciërs eeuwig op de proef.
Alleen in de wintermaanden krijgt men de kans de hand te leggen op het
kreeftachtige zeedier - en dan ook nog alleen als het bij nieuwe of volle
maan tot een springtij gekomen is en daarna de rotsbanken waaraan het dier
zich vasthecht bij zeer extreme eb droog komen te liggen. Tijden moeten de
eendenmosselenvangers (percebeiros) op dit ene moment wachten. Als het dan
eb en enigszins helder weer is en de Atlantische golven wat minder
genadeloos tegen de rotsen beuken, beginnen ze aan hun riskante
onderneming. De moedigste en meest ervaren mannen laten zich door hun
kameraden met een touw om hun heupen vasthouden en klimmen langs de
glibberige rotsen naar beneden, naar de eendenmosselen die zich in een
dichte laag vastgehecht hebben. Halsbrekende toeren, waarbij men de
branding steeds in de gaten houdt. Dan heeft de eerste al wat
eendenmosselen te pakken. Met zijn rechterhand steekt hij een scherp mes
aan een stok in de kal0aag tussen de mosselen en de rotswand. De die ren
komen in een klomp los, die hij opvangt in een net dat hij voor zijn buik
heeft hangen. Zo snel mogelijk steekt hij de ene klomp mosselen na de
andere los. Van boven komt op tijd de kreet 'Moita mar!", wat zoveel wil
zeggen als "Kijk uit, hoge golven." Meteen zoekt de percebeiro een veilig
heenkomen. Liefhebbers van de eendenmossel kunnen amper bevatten hoe
gevaarlijk dit werk is, al zouden ze dat wellicht wel kunnen afleiden uit
de prijs die ze ervoor moeten neertellen in de chique restaurants in het
binnenland. Een voorgerecht van eendenmosselen kost daar al gauw 50 tot 60
gulden. Aan de noordwestkust van Galicië leveren de percebeiros hun vangst
direct bij de plaatselijke restaurants af. Hier is de prijs een stuk
lager. De goedkoopste percebes vindt u natuurlijk op de
plaatselijke vismarkt. Eendenmosselen zijn ongeveer zo lang als een duim
en lijken een kleine versie van een olifantspoot. Ze hebben een
driekantige, gelede schaal, die met een beetje goede wil vergeleken kan
worden met de snavel waarmee eendenkuikens uit het ei komen... Eigenlijk
zijn de percebes echter geen schelpdieren, maar kreeften die zich
aan de rotsen vastzuigen. Kook eendenmosselen gewoon in water met een
laurierblad en eet ze warm of koud. Breek de schaal open, trek de dikke.
vlezige huid naar buiten en dan ligt uiteindelijk het roze vlees bloot dat
u van de schaal af kunt bijten.
Mosselkwekerijen
▲
Ze zien eruit als reusachtige vlotten, deze platformen van
eucalyptushout, die in de baai van Arousa op het water dobberen. Maar
schijn bedriegt. De bateas hebben helemaal niet tot taak hout van
Galicië naar elders te transporten. Ze liggen verankerd aan de zeebodem en
worden gebruikt om schelpdieren te kweken. Daarvoor biedt het noordwesten
van Spanje namelijk ideale omstandigheden. De grillige kustlijn van
Galicië is meer dan 1200 km lang. Hier heeft de Atlantische branding
granietklippen en riffen, ontelbare eilandjes en bizarre rotsformaties
geschapen. Zeer kenmerkend zijn de velt ondiepe riviermondingen, de
rias. Het water is in deze fjordenachtige baaien meestal maar zo'n 2 m
diep en kan dus snel warm worden. Bovendien voert het tij regelmatig
zuurstof- en voedselrijk water aan, dat een goede voedingsbodem biedt voor
tal van micro-organismen en algen. Kortom ideale omstandigheden voor vele
schelpdieren, zoals oesters, sintjakobsschelpen, mosselen, messchedes,
venus-, hart- en mantelschelpen.
De meeste kwekerijen zijn te vinden in de Ría de Arousa. Aan een platform
kunnen wel zeshonderd nylon touwen van 10 tot 12 m hangen. Aan elk van de
touwen kan 120 tot 200 kg schelpdieren groeien. Een enkel platform is in
staat 80 ton schelpdieren te dragen. Van de 200.000 ton schelpdieren die
Spanje jaarlijks produceert, komt bijna 95% uit Galicië. Bijna een derde
daarvan gaat onverwerkt naar het buitenland. Voor de schelpen in de handel
komen, worden ze in speciale installaties (depuradoras)
schoongemaakt en op kwaliteit gecontroleerd.
Mosselen
▲
Mosselen (mejillones) kunnen het hele jaar door geoogst worden,
maar de grootste productie wordt behaald in september en oktober. De
blauwzwarte schelpdieren komen gewassen op de markt en hebben sappig,
oranje vlees. Voor het koken dienen ze nog eens grondig gewassen te
worden. Als ze nog helemaal niet schoongemaakt zijn, dient er zelfs een
borstel aan te pas te komen. Daarna verwijdert u de baard met een mes of
met de vingers en wast u de schelpen opnieuw grondig onder koud stromend
water. Nu zijn ze klaar voor gebruik. Schelpen die tijdens het koken niet
opengaan, zijn niet goed meer en moet u weggooien.
In Galicië komen mosselen zo puur mogelijk op tafel. Het liefst stoomt men
ze boven wat water met zout en een laurierblad (mejillones al vapor)
of worden ze gekookt in witte wijn met uien en knoflook (mejillones a
la marnera). Mosselen smaken ook fantastisch in bijvoorbeeld tortillas
en pasteitjes.
Sint-Jakobsschelpen
▲
De fraai gevormde Sint-Jakobsschelp (vieira) is het symbool van
de pelgrims, die vroeger aan het eind van hun bedevaart naar Santiago de
Compostela doortrokken tot Fisterra aan de Atlantische kust. Daar zochten
ze naar Sint-Jakobsschelpen, die ze als aandenken aan hun tocht mee naar
huis namen. Het seizoen voor Sint-Jakobsschelpen loopt van oktober tot en
met maart. Weliswaar zijn de schelpen tegenwoordig ook uit de diepvries en
als conserven te koop, maar natuurlijk smaken ze vers het best. De twee
helften van de schelp herbergen een delicaat stukje spiervlees en een fijn
zakje met kuit (corail). De inhoud dient voorzichtig uit de schelp gehaald
te worden en verdraagt geen sterke kruiden. De Galiciërs eten
Sint-Jakobsschelpen graag gegratineerd met wat knoflook, peterselie en
uien, en soms met een scheutje sherry of witte albariño. De moderne kok
combineert Sint-Jakobsschelpen ook wel met aardappelgratin,
eekhoorntjesbrood en een frisse, sprankelende witte wijn uit Galicië.
Lamprei
▲
In de Romeinse tijd werd met enig ontzag tegen het vreemde rivierwezen
lamprei aangekeken. Het was toen niet alleen zo dat de mens de vis at,
maar het omgekeerde was ook waar: Romeinen gooiden opstandige slaven in de
rivieren of meren, waar het wemelde van deze palingachtige monsterlijke
vissen.
De lamprei (Spaans: lamprea) wordt ook wel negenoog of prik genoemd. Het
dier maakt deel uit van de gewervelde tak van de rondbekken en is
eigenlijk niet echt een vis. Met zijn zuignappen en de weerhaken op de
ronde hoornplaat voor zijn mondopening zuigt hij zich vast aan vissen en
andere waterdieren, om vervolgens bloed en andere lichaamssappen uit hen
te zuigen.
Ondanks alle duistere legenden werd de lamprei altijd graag gegeten,
vooral door de Fransen. In de Middeleeuwen moeten de lamproies uit
Nantes zo gewild geweest zijn, dat de Parijse vishandelaren hun
leveranciers tot ver buiten de stadsmuren tegemoet gingen uit vrees anders
achter het net te vissen. Het is niet moeilijk te raden hoe de negenoog
aan zijn naam komt: achter de neusopening en het ene oog liggen aan
weerszijde van de kop zeven kieuwopeningen - dat maakt in totaal negen
ogen. De lamprea, die anderhalve meter lang kan worden, heeft een
ongeschubde, slijmerige huid. Deze is aan de bovenkant van het lijf
donkerbruin tot grijsblauw met donkere vlekken en aan de onderkant
duidelijk lichter van kleur.
’s Winters zwemt de lamprei uit open zee stroomopwaarts in de rivieren om
kuit te schieten. Helaas is de soort in heel Europa door
waterverontreiniging en stuwwerken erg zeldzaam geworden. In Spanje komt
de lamprea alleen nog in de benedenloop van de Río Guadiana in de
Extremadura en in Galicië, met name in de Rio Miño, voor.
De lampreien worden in de maanden januari tot en met april gevangen met
biturones, spiraalvormige fuiken: tijd voor fijnproevers uit heel
Galicië om in drommen de streek rond Arbo op te zoeken en zich de luxe van
een goed klaargemaakte lamprei te gunnen. Hoogtepunt van het vangstseizoen
is het, feest van de heilige Jozef, San José, op 19 maart; dan zijn alle
stoelen in alle restaurants langs de Rio Miño die om hun
lamprei-specialiteiten bekend staan bezet.
Kenners kopen indien mogelijk levende, pas gevangen lamprei. Het is de
beste waarborg voor de kwaliteit van het donkere, vette en wat zoete
vlees, dat veel visliefhebbers boven paling verkiezen. Men kookt of stooft
lamprei graag als ragout in zijn eigen bloed, aangelengd met rode ribeiro,
met knoflook, uien en een saus van wijnazijn of met champignons en ui in
een Wijnsaus; maar als vulling van empanadas smaakt hij ook prima. Lamprei
wordt in Galicië opgediend met rijst en geroosterde stukjes brood (picatostes).
Het roken van of aan de lucht drogen van lamprei gebeurt zelden.
Exemplaren die op deze manier houdbaar zijn gemaakt, dienen voor de
bereiding een nacht geweekt te worden. Bij een stevige lampreischotel past
een rosé of rode wijn met een uitgesproken zuurheid, liefst een goede fles
van de oever van de Río Sil of uit de wijnbouwgebieden Ribeiro en Condado
de Tea.
Mest uit zee
▲
Al lang voordat de mensen op het idee kwamen kunstmest samen te
stellen, voorzag moeder aarde hen, van alles wat de grond nodig heeft om
vrucht te dragen. Aan de kust van Galicië zijn nog altijd boeren die bij
eb algen, zeewier en zeegras verzamelen om daarmee hun akkers te bemesten.
Vroeger laadden zij het aangespoelde groen met veel moeite op ossenkarren
om het naar hun akkers te brengen. Tegenwoordig maken trekkers het een
stuk eenvoudiger de mest naar de plaats van bestemmin te vervoeren. Deze
gratis mest 9 bevat veel jodium en mineralen. De boeren ploegen het onder
op akkers waar ze maïs willen verbouwen, een plant die zeer veel
voedingsstoffen aan de bodem onttrekt. Daarnaast bemesten boeren uit de
kuststrook hun akkers ook met de kákhoudende schelpen van mosselen en
Noordzee krabben. Verder naar het binnenland, waar bossen en heidevelden
zijn, gebruikt men als organische meststof voor akker en moestuin
kastanjebolsters en een bremsoort die in het Galicische toxo heet. Bij eb
verzamelen de boeren de waardevolle mest voor hun akkers: algen, zeewier
en zeegras voorzien de grond van belangrijke mineralen.
Pulpo a Feira
▲
De oude Grieken beweerden al dat kraak (octopus, pulpo in het
Spaans) de mannelijke geslachtsdrift prikkelde en hielp tegen impotentie.
Op Galicische volksfeesten is de kwestie nog altijd een geliefd
gespreksonderwerp. Of het vlees van de Octopus vulgaris nu
werkelijk als afrodisiacum beschouwd kan worden... misschien vooral in de
hoop op een intieme voortzetting van het feest. Ondanks alle fabels en
volksgeloof bestaat er een simpele reden voor het feit dat op feesten in
Galicië altijd pulpo opgediend werd: het kostelijke weekdier was altijd al
een goedkope lekkernij en hij kan zonder al te veel gedoe klaargemaakt
worden. Het vlees hoort lekker mals te Zijn, maar moet nog wel beet hebben
en mag niet uit elkaar vallen. In Galicië geeft men de voorkeur aan
octopus uit de eigen wateren; die is het verst. Vaak is er ook de wat
donkerder en minder malse pulpo uit Afrikaanse wateren. Het koken van een
pulpo a feira (kraak als feestmaal) is wel erg eenvoudig: de kok klopt
ongeveer tien keer met de tentakels van een grondig schoongemaakte inktvis
op een harde ondergrond zacht (moderne koks leggen de octopus simpelweg
drie dagen in het vriesvak om het .vlees zacht te maken). Hij dompelt de
tentakels dan drie keer kort in kokend water en legt het dier vervolgens
zo’n 2 uur met een hele ui en een laurierblad in water, dat tegen de kook
aan wordt gehouden. Als de tentakels uitgelekt zijn, worden ze met een
schaar in stukjes geknipt. De stukjes worden op een houten bord gelegd,
bestrooid met grof zeezout en vrij mild paprikapoeder en besprenkeld met
een goede olijfolie. Sommige koks voegen nog een heel klein teentje
knoflook uit de pers toe. Van oudsher drinken de Galiciërs een rode
ribeiro bij hun pulpo a feira, als het even kan uit de bijzondere
witte porseleinen kommetjes.
Bron CULINARIA ESPAÑA, Könemann. ISBN:
3-8290-1964-5. U vindt hier ook een keur van recepten behorend bij
bovengenoemde producten. Prachtig geïllustreerd werk! Van Uitgeverij
Könemann is ons geen URL, WAP of EMAIL bekend
** Uw accommodatie kunt U goed boeken via
Booking.Region.Galicia. Er zijn 349 hotels online boekbaar. Laagste
prijsgarantie! Makkelijk reserveren. Geen kosten. Let ook op de
beoordelingen door gasten die de hotels bezochten! U kunt de hotels via
Google Earth bekijken!
Hotels in de populairste steden:
Santiago
de Compostela -
A Coruña -
Vigo -
Lugo -
Ourense -
Pontevedra -
Sanxenxo -
Ribadeo -
O Grove -
Ferrol -
Isla de la Toja -
Guitiriz
Hotels op/nabij luchthaven:
Peinador
(VGO) -
Santiago de Compostela (SCQ) -
A Coruña (LCG)
** Waarom zouden we kiezen voor
Booking?
** Zie
hier voor lettertype, grootte en hoe de leesbaarheid te verbeteren.
** Zie
hier voor: "Hoe
maak ik een printversie van de pagina"?
** Zie hier onze
algemene boeken pagina
|