|
C
Alfabetisch overzicht. Naar
uw accommodatie! Caldarium, zie Thermen. Calefactorium, verwarmde kamer, het enige vertrek in een klooster dat verwarmd kon worden. Calotte, Fr.: kapje, halve bol. Calvarieberg, naar Lat. 'calvaria', hersenpan, schedel: het bijbelse Golgotha; in de schilderkunst de weergave van de kruisigingplaats van Christus en vele andere figuren. Camaldolensi, in de rooms-katholieke Kerk een religieuze orde die begin 11de eeuw werd gesticht door de H. Romuald in Camaldoli, nabij Arezzo in Italië. Campanile, It. campana: klok, vrijstaande klokkentoren bij Italiaanse kerken.Camarin (Sp.), kapelachtige ruimte achter of boven het hoogaltaar van Spaanse kerken. Camera obscura, Lat., donkere kamer: een soort draagbaar huisje dat aanvankelijk met een gat (blinde) in plaats van een lens of een spiegel wordt uitgerust en door landschaps-, architectuuren vedutenschilders wordt gebruikt als tekenhulp bij perspectivische constructies. Door een kleine opening in een kastje worden de afzonderlijke lichtstralen gebundeld, zodat ze op de tegenoverliggende zijde een verkleind en omgedraaid beeld projecteren. Campo, It., veld: Venetiaanse benaming voor een plein in de stad. Het is meestal de voorhof van een kerk of een kleine ruimte tussen paleizen, die meestal aan één zijde toegang tot het kanaal heeft. Camposanto, It. heilig veld, een begraafplaats in Pisa. Tijdens de vroege Renaissance waren de zuilengangen langs de begraafplaats gedecoreerd met fresco's, vooral van Benozzo Gozzoli. Cancelli, in vroegchristelijke kerken de lage stenen afscheiding tussen kerkschip en altaar ruimte of priesterkoor.Cannelures, Lat. canna: buis, verticale parallelle groeven die de cilindrische schacht van een zuil, versieren waardoor deze een stijgende beweging en een sterke plasticiteit krijgt. Canon, wet van de verhoudingen van het menselijke lichaam in de beeldhouwkunst van de Griekse Oudheid. Met elkaar in verband staande verhoudingen van afmetingen die samen een conventionele code van harmonie vormen, toegepast op de afbeelding van het mannelijke en vrouwelijke lichaam. Canope, bepaalde urnvorm bij de Etrusken. Cantoria, mv. cantorie, een galerij voor zangers of musici, meestal in een kerk. Twee prachtige voorbeelden zijn die van de beeldhouwers Andrea della Robbia en Donatello in de kathedraal van Florence, die beide rijk bewerkte manneren panelen hebben. Capelamor (Port.), hoofd-, meestal koorkapel van Portugese kerken Capomaestro, It., de persoon die een bouwproject leidt. Capriccio, It., gril: aanduiding voor allerlei soorten fantastische voorstellingen. Naast de schilderijen van Giuseppe Arcimboldo, ca. 15271593, zijn de 'Caprichos' van Francisco de Goya, 1746-1828, de belangrijkste. Cardo, Lat.: hoofdstraat, een van de beide hoofdassen in
Romeinse legerplaatsen en steden, die meestal van noord naar zuid
loopt. Caravaggisten, schilders die zich
richten op Michelangelo da Caravaggio, 1571-1610, hun grote voorbeeld.
De door Caravaggio ontwikkelde contrasten tussen felverlichte figuren en
donkere achtergronden zijn kenmerkend voor deze kunstenaars. Casino, It. klein huis; tuinhuis of paviljoen in een renaissancetuin, later eetzaal voor de hogere officieren. Cassette, Fr. cassette: kastje, een verdiept rechthoekig vlak in het plafond, cassettenplafond. Bekend als klassieke plafondbekleding, maar komt uitgevoerd in hout weer terug gedurende Renaissance. Cassetteplafond, plafond dat bestaat uit een groot aantal elkaar snijdende balken met verdiepte velden ertussen en vaak van ornamenten of beschilderingen is voorzien. Cassone, mv. cassoni It., in de middeleeuwen en de Renaissance in Italië een grote kist, meestal een bruidskist, om linnengoed, documenten of waardevolle zaken in te bewaren. Cassone-schilderkunst, It. kast,,grote kist; kistvormig meubel om dingen in op te bergen en om op te zitten; werd vaak als huwelijksgeschenk gegeven. Was een karakteristiek en belangrijk meubelstuk in de Renaissance en werd vaak uitbundig versierd met houtsnijwerk of schilderingen. Schilderingen op de lange en smalle zijkanten werden ook gemaakt door grote meester als Sandro Botticelli, Paolo Uccello of Andrea del Sarto. Castrum, Lat.: versterking met een rechthoekig grondplan,
afgeronde hoektorens,en oorspronkelijk in het midden van iedere muur
een ingang. Dit grondplan uit de Romeinse en Byzantijnse tijd, dat
oorspronkelijk door de Romeinsetroepen werd gebruikt voor
legerkampementen en winterkwartieren, en in de keizertijd als
fortificaties verder werd uitgebouwd, beïnvloedde de vroegste
vestingwerken en woestijnkastelen van de moslims. Catacombe, laat Lt. catacumbae; Gr. kata, laag, en kymbe, bekken, kom, oorspronkelijk de naam van een laagte in het terrein bij de kerk S. Sobastiano in Rome. Het vanaf de 4de eeuw in gebruik zijnde ondergrondse kerkhof van deze kerk stond in de Middeleeuwen bekend als coemeterium ad catacumbas. Het begrip werd later gebruikt voor alle in Rome en omgeving aangelegde ondergrondse vroegchristelijke en joodse begraafplaatsen. Catacomben bestaan uit een in tufsteen uitgehouwen stelsel van gangen, in de wanden waarvan boven elkaar muurgraven zijn aangebracht. In de tijd van de christenvervolgingen (65-313) deden ze dienst als schuilplaats voor de gelovigen. Cavea, terrasvormig opklimmende zitplaatsen voor de toeschouwers in het theater. Celibaat, het ongehuwd zijn van monniken en geestelijken. Cella, onderdeel van een antiek tempelgebouw dat behalve de naos met het beeld van de godheid een pronaos als vestibule, een opisthodoom bij de koorafsluiting en soms een adyton of geheime ruimte en een schatkamer omvat. Cenotaaf, Gr. kenos: leeg, taphos: graf; leeg graf of schijngraf als herinnering aan iemand die elders is gestorven en begraven. Centaur, Gr. 'kentauros'; meerv. centauren: een fabelwezen uit de Griekse mythologie; het heeft een menselijk bovenlichaam en aan de onderkant een vierbenig paardenlijf, in tegenstelling tot de sater, die twee bokkenpoten heeft. Centauromachie, legendarische strijd tegen de Centauren, die ruwheid en wreedheid symboliseren.Centraalbouw,
centrale aanleg, een bouwwerk dat is gericht op een, centraal punt,
meestal met als plattegrond een cirkel, een ellips, een vierkant of
een regelmatige veelhoek; een variant is een plattegrond in de vorm
van een Grieks kruis. Er kunnen kleine omgangen of vierkante
kapellen en apsis Centrale perspectief, Lat. 'centralis' , in het middelpunt (liggend) en Middel-Lat. 'perspectiva' ('ars'), doorheenkijkende (kunst): een wetenschappelijk wiskundige methode van perspectivische weergave die aan het begin van de 15e eeuw door Filippo Brunelleschi, 1376-1446, is ontwikkeld. Voor de beschouwer lopen alle lijnen naar een centraal pnnt op de horizon. Op het tweedimensionale beeldvlak wordt een driedimensionale illusie mogelijk gemaakt door de voorwerpen, landschappen, gebouwen en figuren verkort en geproportioneerd weer te geven. Centurie, Lt. centuria, afdeling van honderd, eenheid volgens welke het Romeinse volk word ingedeeld voor verkiezingen en voor militaire doeleinden, meestal legereenheid. Ingevoerd door koning Servius Tullius, 6de eeuw v.C., en steeds in vijf vermogensklassen verdeeld. In het leger is de centurie het 100 man sterke onderdeel van een legioen, geleid door een centurio, een hoofdman in de rang van onderofficier. Chalcedonische christen: verdediger van de resultaten van het Concilie van Chalcedon (451 n.C.), waarbij het monofysitisme veroordeeld werd en het dyofysitisme tot christelijke geloofsleer werd verklaard.
Charidjiten: 'de
uitstekenden', voormalige aanhangers van Ali die hem na de Slag bij
Siffin in 657 n.C. niet meer steunden. Aanhangers van een strenge en
egalitaire doctrine.
Charon, Gr.: in de Griekse
mythologie de veerman der doden in de onderwereld.
Chátelet, klein middeleeuws verdedigingswerk als dekking van een
toegangsweg of een brug.
Cherubim, Hebr., enkelv.
'cherub': behoren in het Oude Testament samen met de serafim tot de
hoogste hiërarchie van de engelen en maken deel uit van het hemelse
hof van God (ze omringen meestal zijn troon). In het Nieuwe
Testament vormen ze de erewacht van Christus. In de christelijke
kunst worden twee typen onderscheiden. De tetramorf heeft vier
koppen (mens, leeuw, stier en adelaar) en vier met ogen bezette
vleugels. De cherubengel heeft daarentegen een mensengezicht en vier
vleugels met ogen. Vaak hebben beide typen echter zes vleugels,
zodat ze niet van de serafim kunnen worden onderscheiden. De
cherubim zijn afgeleid van oosterse gevleugelde fantasiedieren met
een menselijk gezicht.
Chiaroscuro, It. licht-donker, wijze van vormgeven in grafiek en
schilderkunst waarbij grote contrasten in licht en donker naast
elkaar worden gezet. De oplossing van het beeldvlak in licht en
donker reduceert de lokale tinten en maakt de vorm onduidelijker.
Het chiaroscuro wordt vaak gebruikt als middel om de stemming van de
gebeurtenis in het schilderij dramatischer te maken.
Chora, mv. chorai, Gr.:
het land of de landerijen van een Griekse polis in de
Oudheid. Tot de chora behoorden ook de omliggende dorpen, die de
hoofdplaats steunden en van voedsel voorzagen.
Christologisch, deel van de theologie dat handelt over het leven
en de leer van Jezus Christus. Chrysografie,
Gr. chrysos: goud, graphein: schrijven, het schrijven of schilderen
met goudtinctuur.
Churriguerismo (Sp.), naar de
Spaanse kunstenaarsfamilie Churriguera genoemde architectuur- en
bouwstijl uit de vroege 18e eeuw
Ciborie 1, in de rooms-katholieke eredienst een met een deksel
afgesloten schaal of kelk, waarin de geconsacreerde hostie wordt
bewaard.
Ciborie 2, Lt. ciborium en
Gr. kiborion, beker, koker, ook ciborium, een op vier zuilen
rustend, vrijstaand altaarbaldakijn.
Ciborium, een op zuilen rustende altaaroverhuiving.
Cippus, vierhoekige
spitse zuil, vooral op graven
Circus, Lat. renbaan, langwerpige arena in
het oude Rome die aan één kant rechthoekig was en aan de andere kant
halfrond. In de halfronde zijde bevond zich de Porta Triumphalis,
waardoor de winnaars met hun wagens de arena verlieten. Aan de
andere kant lagen aan weerszijden van de ingang, Porta Pompae, de
starthokken, carceres, voor de bespannen wagens, met daarnaast
steeds een toren, oppidum. Ciseleren, een fijne
(na)bewerking van metaal met behulp van beitel, vijl, graveernaald
enzovoort.
Cisterciënzerbouwstijl, de bouwtrant die de orde van Cîteaux,
onder invloed van de H. Bernardus (1091-1153), abt van Clairvaux, in
haar kloosters invoerde als reactie op de weelde van de
benedictijnenabdij van Cluny. Kenmerkend zijn de sobere, eenvoudige,
maar zeer harmonische bouwvormen Clarissenorde, vrouwelijke bedelorde
die leeft naar de regels van de franciscanenmonniken en zich vooral
verplicht tot ascese en afziet van eigendom. De orde wordt in 1212
opgericht door Clara van Assisi, 1194-1253, een leerlinge van Franciscus
van Assisi, 1182-1226.
Classicisme, Fr. classique en lat. classicus, voorbeeldig,
onberispelijk; een op de Klassieke Oudheid, 5de-4de eeuw v.C.,
georiënteerde stijlrichting in de Europese kunst. Het begrip is in
het bijzonder op twee stromingen van toepassing: enerzijds de
halverwege de 16de eeuw in Noord-Italië door Andrea Palladio
geëntameerde architectuurstroming die zich in navolging van de
klassieken kenmerkt door heldere, strenge ontwerpen en sobere
decoraties, en anderzijds het classicisme in de beeldende kunst in
de periode tussen 1750 en 1840, dat uit een verlangen naar
natuurlijkheid en eenvoud ontstond als reactie op het frivole Rococo
en een zedelijke en morele onderbouwing vond in mythologische en
historische thema's. Stilistische kenmerken zijn de nadruk op lijn
en lichaam, de koele kleuren, de strenge composities en de
afwezigheid van illusionistische effecten. Overigens wordt iedere
stijlvorm classicistisch genoemd die zich sterk richt naar een in
artistiek of ideologisch opzicht voorbeeldige periode in de kunst.
Clumps, bomengroepen die de
grasveldgedeelten van de landschapstuin structureren
Codex,
Lat. houten schrijfbord, een manuscript, speciaal van de Heilige
Schrift, een heilig werk of een van de klassieken. College (Eng.), hogeschool in
Engeland, ook gebouw daarvan
Collegiale of kapittelkerk, een kerk waaraan een college van
kanunniken verbonden was, maar geen bisschopszetel.
Collegio dei Pittori, It., college
der schilders, het door senatoren in plaats van door de academie
goedgekeurde beroepsgenootschap der schilders in Venetië. Het Collegio
blijft na de oprichting van de academie in 1754 bestaan. In 1797 wordt
het door de troepen van Napoleon ontbonden.
Colonnet, dun, zuilvormig bouwonderdeel in Romaanse en gotische
bouwkunst. Colonnet heeft een dragende functie en komt veelal voor
in combinatie met zuil of pijler. Comes orientis, Lat.:
Byzantijnse burgerrang, hoogste ambtenaar die aan het hoofd van een
bisdom stond.
Commende, in het kerkelijk recht de toewijzing van het recht van
vruchtgebruik op de inkomsten van een kerk of abdij aan een
'buitenstaander'. Commedia dell' arte, It.:
Italiaanse improviserende komedie van de 16e tot de 18e eeuw. Bij deze
blijspelen is er alleen een schriftelijk gerangschikte opeenvolging van
de scènes. De hoofdpersonen representeren komische karakters en treden
altijd op met hetzelfde masker en kostuum. In het toenmalige taalgebruik
duidde het begrip eigenlijk 'beroepstheater' aan.
Compagnia de San Luca, Lucasgilde, het schildersgilde in
Florence, genoemd naar de H. Lucas omdat hij een schilder zou zijn
geweest die een portret van de Maagd Maria maakte. Complementaire kleuren, naar Fr.
'complémentaire', aanvullend; naar Lat. 'complementum', aanvulling,
opvulling: kleuren die in de kleurencirkel, cirkelvormige
ranschikking van de basiskleuren rood, geel en blauwen hun
mengverhoudingen, tegenover elkaar staan en die samen wit doen
ontstaan, zoals rood en groen, geel en violet of blauwen oranje. Het
contrast dat door de toepassing van deze kleurenparen wordt
verkregen, is als beeldend middel bepalend voor de totale
kleurstemming van een schilderij. Concerto, It., voorstelling, begrip:
ontwerp voor het inhoudelijke programma van een schilderij. Concha, halfronde apsis
Concilie,
Lat.: samenkomst van kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders om
geloofs- en kerkvraagstukken te bespreken en op te lossen.
Concilie, Lat. 'concilium', samenkomst:
verzameling kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders, vooral de bisschoppen.
Concilie van Ferrara-Florence, een kerkvergadering die in
Ferrara (1438- 1439) en Florence (1439-1443) werd gehouden met als
doel de verzoening van de westerse, rooms-katholieke en oosterse,
Grieks-orthodoxe kerken. Er werd een overeenkomst bereikt, maar de
verzoening duurde niet lang. Het concilie was belangrijk omdat het
de kerkelijke doctrine hielp bepalen en de Griekse wetenschap in het
Italië van de Renaissance introduceerde. Conclaaf,
Lat. conclave, afsluitbare ruimte; de hermetisch afgesloten ruimte
waarin de kardinalen samenkomen om een nieuwe paus te kiezen; ook
die groep kardinalen zelf.
Condottiere, mv. Condottieri,
It. leider, in het Italië van de 14e tot de 16e eeuw een leider van
huursoldaten. Confessio,
Lat., belijdenis; geloofsbelijdenis of belijdenisgeschrift, ook
biecht of bekentenis. Het woord wordt bovendien gebruikt als
aanduiding voor de rustplaats van een martelaar of heilige. De
confessie is in dit verband een ruimte onder een altaar waarin zich
een martelaarsgraf bevindt. later ontwikkelde zich hieruit de
crypte. Bekend zijn de confessiones van de Romeinse basilieken,
zoals die van de H. Petrus in de St.-Pieter. Congregatie,
Lat. congregatio, gezelschap, vereniging; vereniging van personen
binnen de katholieke Kerk die in tegenstelling tot de kloosterorden
naar eenvoudige regels leeft; ook kloosters die verbonden zijn door
dezelfde kloosterregel. Een kardinaalscongregatie is een groep
kardinalen die door de paus is aangewezen om bepaalde kerkelijke
zaken te regelen.
Connétable, tijdens het bewind der Capetingen een van de vijf
hoogste officieren van de Franse kroon, sedert eind 12de eeuw in
toenemende mate dé centrale figuur in het militaire apparaat,
opperbevelhebber, hoofd van de militaire rechtspraak. De functie
werd door Richelieu afgeschaft (1627).
Consorteria, It. kliek, clan.
Contrapost, Lat. contrapositus,
tegengesteld, van ponere, zetten, stellen; het door de klassieke
Griekse beeldhouwers, met name door Polykleitos, omstreeks
460-415v.C., tot verbindend principe voor de Europese kunst
ontwikkelde standmotief in de beeldhouwkunst waarbij de
verschillende krachten en bewegingen in een menselijk lichaam
harmonisch worden uitgebalanceerd. Drukkende en dragende, rustende
en actieve krachten in een figuur worden in evenwicht gebracht door
een uitgewogen verdeling over standbeen en speelbeen. In de
Renaissance werd het contrapost, Ital.
contrapposto, herontdekt. Conversatiestuk, Lat. 'conversatio',
verkeer, omgang: ook gezelschapsstuk, deelgebied van de
genreschilderkunst waarin uitsluitend het sociale samenzijn van de adel
en de hogere burgerstand wordt weergegeven, bijvoorbeeld in
muziektaferelen en feestvoorstellingen. Dit schilderijengenre vindt zijn
basis in Nederland en is vooral in de 17e eeuw zeer geliefd. Korintische Corps
de logis Fr., hoofdvleugel van een groot stadshuis (hótel) of
paleis.
Cosmaten, verzamelnaam voor
verschillende families van kunstenaars en handwerkslieden die van
ongeveer 1150 tot in de 14de eeuw in Rome en laijum actief waren.
Het woord is afgeleid van de in deze families veel voorkomende
voornaam Cosma. De Cosmaten schiepen kostbare decoraties voor
gebouwen in de vorm van inlegwerk (intarsia) van marmer, porfier,
glas en goud, teruggrijpend op antieke vormen en oriëntaalse
voorbeelden. Ze vervaardigden vloermozaïeken en kerkmeubilair zoals
preekstoelen, koorbekken, bisschopstronen, altaren, tabernakels en
graftomben, en ze verfraaiden kruisgangen en voorhallen met sierlijk
marmerwerk. Cour
d'honneur Fr., door vleugelbouwwerken omsloten erehof van het
barokke slot Courtisane, naar Fr. 'courtisan' en
It. 'cortigiano', hoveling; naar It. 'corte', hof: hofdame, een
geliefde van voorname adellijke heren. Craquelé, Fr., gebarsten: door
natuurlijke veroudering ontstane barsten in de vernis- en verflagen van
schilderijen. Ze worden veroorzaakt door de volledige uitharding van de
vernis of verf, waardoor de lagen hun elasticiteit verliezen. De lagen
kunnen nu de voortdurende bewegingen (die ook na decennia nog
plaatsvinden) van het linnen doek of van de houten beelddrager niet meer
opvangen.
Crucifix, Lat. crucifixus: de gekruisigde, kruisvorm met een
geschilderde of plastische uitbeelding van Christus. Sinds de vroege
Middeleeuwen wordt het crucifix gebruikt op het altaar, in
processies, bij het geven van sacramenten en dergelijke. Cuneus,
hoekvormige afscheiding in de cavea van een antiek theater die de
uitwaaierende trappen afsluit. Cupido, Lat.: andere aanduiding voor
de Romeinse liefdesgod Amor. Deze zoon van oorlogsgod Mars en
liefdesgodin Venus wordt voorgesteld als gevleugelde knaap met pijl en
boog. Curiaal,
Lat.: betrekking hebbend op de curie; lid van, met name
erfgenaam van een zetel in de curie; notabele in een stadstaat,
onder andere belast met ordehandhaving, belastinginning en het
onderhoud van gebouwen. Cyclopisch,
aanduiding voor een muurverband van een reusachtige muur, gemaakt
van enorme en onregelmatige blokken, die door cyclopen zou zijn
gebouwd.
Cyclus, Laat-Lat.
'cyclus' en Gr. 'kyklos', cirkel: een afgesloten serie werken die
inhoudelijk en formeel bij elkaar horen.
** Uw accommodatie vindt u wereld wijd
naar uw wens via:
Booking |