| L
Naar
alfab. overzicht. Naar uw
accommodatie! Lachmiden: Arabisch vorstengeslacht aan de benedenloop van de Eufraat. Zij heersten van de vierde eeuw n.C. tot kort na 602 n.C. toen het gebied onder Sassanidisch bestuur kwam te staan. Lambrisering, bekleding van muren en plafonds met houten platen. Landschapsschilderkunst, een in de late Middeleeuwen dan wel tijdens de Renaissance ontstaan schildergenre dat de realistische of gestileerde weergave van landschappen combineert met figuren en gebouwen. De weergaven van een harmonieus, meestal bosrijk landschap vol zon en licht doet dienst als 'ideaal landschap' (Lat.-Gr. 'idea', idee), waarin realistische natuurvoorbeelden worden verenigd tot een strenge compositie. Karakteristiek zijn ook een soort toneelachtig opgebouwde voorgrond en een ver uitzicht. Deze vorm van landschapsschilderkunst wordt in ca. 1600 door Italiaanse en Noord-Europese schilders in Rome ontwikkeld. Als er in dit type historische of mythologische figuren verschijnen, gaat het om een 'heroïsch landschap' (Gr. 'heros', held). Een later type landschapsschilderij is het 'wereldlandschap', dat in de late 16e eeuw in Nederland wordt ontwikkeld (ook wel panorama landschap genoemd). Dit toont vanuit een hoger standpunt een weids landschap waarin alle elementen zeer minutieus zijn weergegeven. Een speciale vorm van dit schildergenre vormt het in de 18e en vooral in de 19e eeuw opkomende 'zuivere landschap', zonder figuren. Langschip, hoofdgedeelte van de kerk, van de façade tot de viering Lantaarn, in de bouwkunst de benaming voor een min of meer open bekroning op een grote koepel en voor de bovenste opengewerkte geleding van een toren, meestal achthoekig. Lapidair museum, museum waarin fragmenten van stenensculpturen worden geconserveerd, vaak afkomstig van bouwwerken. Lapis lazuli: kostbare
donkerblauwe halfedelsteen, vaak met felle, goudkleurige
insluitsels. Hij was in de Oudheid zeer geliefd als sieraad.
Lapithen, mythisch volk van Thessalië dat dapper met de Centauren gevochten zou hebben.
L'art pour l'art, Fr., de kunst
voor de kunst: het halverwege de 19e eeuw verkondigde principe dat
de kunst noch politieke, noch sociale of religieuze bindingen mocht
hebben, maar alleen als opdracht had om 'kunst' te zijn.
Latei, bovendorpel, balkvormig element dat een
venster of ingangspartij overspant. Latijns kruis, kruis met lengte- en
dwarsarm van verschillende lengte. Laura, Gr. smal straatje:
een semi-anachoretische vorm van kloosterleven in de
orthodox-christelijke kerk. waarin verder alleenwonende kluizenaars
in los verband samenleven. Lavabo, inrichting voor het wassen der handen
in klooster en sacristie. Laveren, Fr. 'laver' en It.-Lat.
'lavare' , wassen: een bewuste menging van de kleuren en
kleurovergangen bij schilderijen en tekeningen. Lazuurschilderkunst, Middel-Lat.
'lazur(i)um', blauwsteen, blauwverf, Arab. 'lazaward', lazuursteen,
lazuurverf: een schilderstijl waarbij de kunstenaar dunne,
transparante verf gebruikt, zodat de daaronder liggende lagen
doorschemeren en de tint van de nieuw opgebrachte verf iets
verandert. Legenda aurea, Lat. gouden legende, verzameling
heiligenlevens, bijeengebracht uit mondelinge en schriftelijke
overlevering door Jacobus de Voragine, 1230-12981, dominicaan en
aartsbisschop van Genua. De Legenda aurea is de belangrijkste
bron voor de artistieke uitbeelding van heiligengeschiedenissen.
Legende van het Heilige Kruis,
de in de 13e eeuw in de Legenda aurea opgetekende sage volgens welke
de Heilige Helena, ca. 255-ca. 330, de moeder van Constantijn de
Grote, 306-337, op haar pelgrimstocht naar Jeruzalem op Golgotha de
drie kruisen uitgraaft. Om uit te vinden welk kruis dat van de Zoon
van God is, laat ze de kruisen na elkaar op het lichaam van een dode
leggen, die dan onder het kruis van Christus tot leven wordt gewekt.
De keizerin brengt een deel van het kruis naar Constantinopel. De in
Jeruzalem achterblijvende restanten worden in 614 door de Perzische
koning Chosroes II, 590628, geroofd en uiteindelijk in 629 door
keizer Heraclius, 575-641, heroverd. In de schilderkunst worden
beide legenden meestal samen in een cyclus weergegeven. Het thema
vindt pas vanaf de 12e eeuw grotere verbreiding. Levensbron, Lat. 'fons vitae':
ook paradijs- of genade bron, in de christelijke iconografie het
symbool voor de verkwikking van de ziel in het paradijs door de
doop. Op pinksterschilderijen is de stromende levensbron ook het
symbool van de Heilige Geest. Deze wordt weergegeven als
(architectonisch gebouwde) bron of als vat waaruit de dieren
drinken. Libatie, lat.: plengoffer. een cultushandeling waarbij de godheid vloeistoffen (wijn. bloed e.d.) krijgt. Lichtbeuk, het torenvormige bovengedeelte van een koepel
of gewelf; de opbouw bevat ramen die voor het benodigde licht
zorgen.
Ligue, het in 1576 onder leiding van Hendrik
de Guise gesloten verbond tot bescherming van het katholieke geloof tegen
de hugenoten. Lijdende Christus,
weergave van de lijdende Christus die getekend wordt door de
pijnigingen van het martelaarschap. Lijden van Christus, Kerk-Lat. 'passio':
lijden(sgeschiedenis) van Christus. Het omvat alle gebeurtenissen
die direct of indirect in verband staan met de kruisiging, zoals de
Judaskus, de gevangennamen, het verhoor, de doornenkroning en het
dragen van het kruis. Lijdenswerktuigen, Lat. 'arma
Christi', wapens van Christus: symbolen van het lijden van Christus.
Het zijn werktuigen die verband houden met de lijdensgeschiedenis
van Christus, zoals kruis, doornenkroon, lans, staf met azijnspons,
martelzuilen, gesel, roede, ketenen, drie nagels, hamer, ladder,
tang en drie dobbelstenen. Oorspronkelijk worden ze opgevat als koninklijke of triomf tekens van de Zoon Gods. Ze verschijnen in
taferelen over Christus' terugkeer. Lijst, lijstwerk, van de muur afstaande, horizontaal
verlopende versiering. Lijstwerk wordt gebruikt voor de
verlevendiging en indeling van afzonderlijke geveldelen,
bijvoorbeeld een voet- of sokkellijst, dak- en raamlijsten. Limitanei, lat.:
grenstroepen in het Byzantijnse Rijk. die in kampementen en
versterkingen langs de grenzen waren gelegerd. Lineair-B, Myceens
syllabenschrift dat de archaïsche Griekse taal weergeeft. Lichtbeuk, verdieping, als bovenbeuk de vensterzone in het
middenschip van de christelijke basiliek
Liseen, een iets uitspringende verticale
strook aan een muur, zonder kapiteel of voetstuk, ter geleding van een
wand. Lithografie, naar Gr. 'lithos',
steen en 'graphein', (be)schrijven: steendruk, vlakdrukprocédé dat
berust op het, verschijnsel dat water en vet elkaar afstoten. Voor
deze techniek wordt een stuk kalksteen (leisteen uit Solnhof)
bevochtigd met vette tekeninkt. De daarna opgebrachte druk verf
geeft op het papier alleen die gedeelten weer die geen water
bevatten. Litholatrie, Gr.: aanbidding van stenen. Liturgie, Gr. 'litourgia',
openbare dienst, openbaar werk: de eredienst die in de
rooms-katholieke en oosterse kerktraditie volgens vaste
voorschriften wordt voltrokken. Liwan, Arab. van Perz.iwan: een aan de kant van de tuin of binnenplaats open. met een halfkoepel of tongewelf overdekte hal, het belangrijkste element in de islamitische architectuur. loculus, lat.:
arcosolium, een nis in onderaardse gangen en catacomben waarin de
dode werd bijgezet. Lodewijkstijlen, samenvattende benaming voor
de stijlontwikkelingsfasen, vooral in de toegepaste kunsten, tijdens de
regeringen van Lodewijk XIV (1643-1715), Lodewijk XV (1715-1774) en
Lodewijk XVI (1774-1792). De stijlen worden, ook buiten Frankrijk, vaak
met de Franse namen aangegeven, resp. Louis Quatorze,
Louis Quinze, Louis Seize. De stijl Louis Quatorze staat in het
teken van een vaak wat pompeuze barok (met een typerende tegenstelling
tussen de classicistische exterieurs der bouwwerken en een barok
gedecoreerd en ingericht interieur), de stijl Louis Quinze, lichtvoetiger,
met golvende vormen, speelser motieven en helder coloriet, manifesteert
zich in feite pas in de loop van diens regering en wordt ook wel rococo
genoemd, de stijl Louis XVI tendeert weer naar strakkere vormen, vaak op
de klassieke oudheid geïnspireerd. Loge, naar het interieur toe geopend
emporium, vooral in de theaterbouw Loggia, open, door zuilen of pilaren gedragen hooghal.
Staar vrij of maakt deel uit van een groter gebouw. In de
Renaissance dienden de loggia's als representatieve ruimten voor
overheid of voorname families, of als markthal.
Logos, bron van ideeën,
universele rede bij de Griekse filosofen. Louis-Philippe, naam voor een stijl in de
toegepaste kunst tijdens de regering van de 'burgerkoning'. Louis-Philippe (1830-1848), in zekere zin een Franse variant van het
Duitse biedermeier, waarin elementen van het empire worden aangepast aan
de meubelen en interieurs van een verburgerlijkte maatschappij. Louis Quatorze,
Lodewijk XIV, zie Lodewijkstijlen. Louis Quinze, LodewijkXV, zie Lodewijkstijlen.
Louis Seize, Lodewijk XVI, zie Lodewijkstijlen. Lucasgilde, een economisch verband
van handwerkslieden (hier schilders) dat in de Middeleeuwen is
ontstaan; hun schutspatroon is de evangelist Lucas, die volgens de
legende een portret van Maria heeft geschilderd. Luchtboog, speciaal in de gotische bouwkunde
een hooggeplaatste stenen schoor, die de verbinding vormt tussen steunbeer
en hoge, gewelfdragende muren van een bouwwerk. Luchtperspectief, Middel-Lat. 'perspectiva'
('ars'), doorheenkijkende (kunst): een ruimte ontsluitend, op
visuele kleurervaring berustend vormgevingsprincipe waarbij bij
toenemende afstand alle kleuren steeds meer overgaan in blauwgroene
tinten en in de richting van de horizon steeds helderder en
kleurlozer verschijnen. Tevens worden de zichtbare dingen steeds
onscherper. Als vormgevingsmiddel is de luchtperspectief een
bijzondere vorm van de kleurenperspectief. Lustslot, vanaf de Renaissance
paleis in bekoorlijke omgeving dat dient voor ontspannend
tijdverdrijf ** Uw
accommodatie vindt u wereld wijd naar uw wens via:
Booking |