|
ACHTER-INDIË, Thai: ingehouden elegantie en KHMER: synthese van hindoeïstische en
boeddhistische gegevensnaar.
Naar
overzicht kunsthistorie.
Naar uw accommodatie!
In de 4e eeuw v. Chr. is in het noordoosten reeds Zuid-Chinese bronscultuur
aan te wijzen.
In de 3e eeuw doorkruist een Indisch-Chinese handelsroute
het noordwesten, en zijn over geheel het gebied zowel boeddhistische als
hindoeïstische zendelingen actief. Vanaf de 7e eeuw is het een
aanhoudende machtwisseling; daarbij zijn Tjarnpa en Vietnam betrokken,
uit Birma afkomstige Mon en daaraan verwante Khmer, uit Zuid-China
stammende Thai, afgezien nog een periode van Hindoe-Javaanse invloed. In
al deze verwarring sluit de kunst in de eerste plaats aan bij de
Goeptastijl en tekenen zich als belangrijkste kunsttradities af : de Mon-,
later Thai- en de Khmerkunst.
Thai : ingehouden elegantie ▲
De langs Sri Lanka en Bengalen bekend geworden Goeptaplastiek bepaalt
aanvankelijk het karakter van de ook Mon-Goepta geheten beeldhouwkunst
van de Dvaravatiperiode, 6e- 11e eeuw. In het bijzonder aan de
Sarnathstijl zijn de vloeiende vormen en de nauw sluitende rimpelloze
gewaden ontleend, doch soberder behandeld, en met lichte lineaire
accenten in het aangezicht. Tijdens de Srivijayaperiode, 8e- 13e eeuw,
ondergaat Zuid-Thailand beurtelings invloed van de Hindoe-Javaanse en
van de Khmer-cultuur, en ontwikkelt zich ook de Lopburistijl, 11e- 14e
eeuw.
Een eigenlijke Thaikunst komt opnieuw tot stand in het centrumgebied,
wanneer omstreeks 1250 Sukhotai hoofdstad wordt. Tijdens de naar die
stad geheten stijlperiode, 13e- 15e eeuw, ontstaat massale bronsplastiek
productie , stilistisch gekenmerkt door een vol aangezichtstype met
scherpe neus en lineair geaccentueerde ogen en mond, 'bloembladvingers',
vlamvormige haartooibekroning. De daarop volgende Ayuthiakunst, 15e- 18e
eeuw, houdt dit stijlbeeld aanvankelijk aan, doch vervalt vaak in
oppervlakkige aantrekkelijkheid.
Khmer
Bij de Khmer is, onder Hindoe-Javaanse impuls,
▲
een merkwaardige synthese
ontstaan van hindoeïstische en boeddhistische gegevens, uitlopend in de
naderhand tot staatsreligie geworden Devarajacultus, d.i. van de god
geworden heerser. Vandaar ook de geheel op prestige gerichte
tempel-paleisresidenties Angkorvat en Angkorthóm, Cambodja.
In de figuurplastiek interpreteert de vroege Khmerkunst, 6e-9e eeuw,
het Goeptamodel atletisch-massief met sobere anatomie, mooi doch enigszins
strak. Voor de latere Khmerkunst, 12e-13e eeuw, is, bij nauwelijks
gewijzigde behandeling van het lichaam, vooral de ingetogen glimlach
kenmerkend.
De vaak enorme tempelcomplexen zijn versierd met talrijke laagreliëfs,
waarin een neiging naar het zinnelijke en theatraal-decoratieve niet te
ontkennen is. Angkor-thom, met zijn meer dan 50 torens tellend
heiligdom, Bayon, is typisch voor de religiesymbiose ontstaan op het einde
van de 12e eeuw. Terwijl de Bayon zuiver boeddhistisch geïnspireerd is,
zijn de sculpturen bij de toegangswegen zuiver hindoeïstische
voorstellingen.
Basis bron: Het boek "Kunst van Altamira tot heden", F. Adriens
c.s.. A'dam, 1980
|