SÉNANQUE, cisterciënzerklooster in
dep. Vaucluse,
naar overzicht regio Provence
Cisterciënzerklooster
Er staan nog steeds 'bories' op de hoogvlakte, het ruwe en woeste
Plateau de Vaucluse tussen Venasque en Gordes. Bories zijn uit stenen,
zonder mortel, opgetrokken hutten met gevel, ingangs- en vensteropening,
die sinds onheuglijke tijden tot in de 18de eeuw door boeren en
schaapherders werden gebouwd en tot op heden als overnachtingverblijven
worden gebruikt. In een dalkom in deze dun bevolkte streek met meer
stenen, struiken en heide dan bebouwde akkers, ligt de
cisterciënzerabdij tussen met bomen begroeide hellingen en te midden van
lavendel, brem en zorgvuldig geplant graan. Zij werd gebouwd van grijze
kalksteen uit de omgeving, dat in de middagzon in geel en rood
verandert.
De cisterciënzerorde
werd in 1098 te Cîteaux gesticht en in 1112 stelde
Bernardus van Clairvaux, 1090-1153, de strenge regels voor de orde vast.
Hij reageerde daarmee op de rijkdom van de cluniacenser orde, die op
haar beurt in 910 ook als een ascetische kloosterhervorming begonnen.
Bernardus eiste absolute onthouding, totale afzondering van de wereld en
het afzien van alle aardse goederen. De orde breidde zich snel uit. Bij
Bernardus dood waren er 350 cisterciënzerkloosters.
De abdij van Sénanque (Abbey
Notre-Dame of Senanque)
werd vanaf 1148 gebouwd door twaalf
monniken die zich geheel aan het voorbeeld van hun moederabdij Mazan
hielden. Afgelegenheid en armoede van de streek kwamen overeen met de
eisen van de cisterciënzers. Bovendien was er een rivier, de
Sénancole, de enige van de gehele streek. Thans is deze veel kleiner
en soms opgedroogd. Het woord Sénanque komt voort uit het Latijnse
Sana Aqua, dat 'gezond water' betekent. De familie Agoult-Simiane
schonk de monniken circa 100 ha grond, en zij begonnen het klooster te
bouwen en het land te bewerken. De kerk ontstond vanaf circa 1160 met
het koor in het noorden vanwege de richting van het dal en de loop van
de rivier. Het gebouw kreeg een halfronde apsis
zoals in Le Thoronet,
maar werd verder geheel naar cisterciënzer gebruik als drieschepige
basiliek gebouwd. Reeds voor 1178 werden de altaren gewijd. Eind 12de
eeuw veranderde men waarschijnlijk het oorspronkelijke plan,
vermoedelijk om door een verhoging van het middenschip nieuwe vensters
in de wand te kunnen aanbrengen zodat het tamelijk donkere kerkinterieur
beter kon worden verlicht. Ondanks haar kaalheid is de kerk imposant.
Van het vijf traveeën diepe schip met geknikt tongewelf leiden drie
treden naar de vierkante viering waarop een achthoekige koepel rust en
naar vier altaarnissen in de dwarsschepen, waarvan er één nog Romaans
is. Vervolgens leiden twee treden naar de apsis, die met haar drie
vensters aan de H. Drie-eenheid herinnert. De kloosterhof heeft
nauwkeurig gevoegde, vierkante kalkstenen gewelven, die telkens op vier
pijlers steunen. Tussen de pijlers staan steeds twee gekoppelde zuilen,
die drie bogen dragen. De kloosterhof, even goed bewaard gebleven als de
kerk, heeft gebeeldhouwde kapitelen met plantenornamenten - loofwerk,
bloemen en ranken - en schachtringen onder de kapitelen uit
verschillende perioden. Behalve een dierenmasker aan de noordvleugel
ontbreken figuratieve motieven.
Het dormitorium
boven de kapittelzaal en het dagverblijf heeft
evenals de kerk een geknikt tongewelf en is als een soort verlengstuk
van het westelijke dwarsschip gebouwd. Hier sliepen de monniken in één
ruimte. Van hieruit leidt een trap direct naar de kerk, een andere naar
de 'kloosterhof. De cisterciënzermonniken kregen in de middeleeuwen door
hun strenge regels echter niet veel slaap.
De kapittelzaal
was de vergaderruimte van de kloostergemeenschap.
Hier werd dagelijks een regel uit de orde - denk aan ons werkwoord
kapittelen: iemand de les lezen - of uit de bijbel voorgelezen en
becommentarieerd. Het kruisribgewelf boven de vierkante ruimte is
vermoedelijk 13de-eeuws.
Het dagverblijf
voor de monniken was de enige verwarmde ruimte. Er
staat nog een originele schoorsteen. Dit vertrek wordt meestal
calefactorium genoemd.
Het refectorium,
in 1544 verwoest en in de l7de eeuw in originele
staat herbouwd, werd onlangs gerenoveerd. Een tentoonstelling licht de
ontwikkeling van de cisterciënzerorde toe.
Sénanque,
cisterciënzerklooster
1 kloosterhof 2 gewelfpijler van het vroegere bronhuis 3
refectorium 4 kanalen naar de Sénancole. eind 12de eeuw door de
monniken. gegraven 5 vroegere keuken en dienstvertrekken. thans
tentoonstellingszalen en ateliers 6, 7 toegangsportalen naar abdijkerk 8
schip 9, 10 zijschepen 11 viering met trompen koepel 12N. apsis
13 W.
dwarsarm met twee koorkapellen 14 O. dwarsarm met twee koorkapellen 15
graf van de heer van Venasque uit de 13de eeuw 16 trap naar het
dormitorium 17 deur naar de sacristie 18sacristie 19 kapitlelzaal 20
dagverblijf (calefactorium). Boven kapittelzaal en calefactorium ligt
het dormitorium
Naast Le Thoronet en Silvacane
geldt Sénanque als een van de drie cisterciënzerzusterabdijen van de
Provence. Alle cisterciënzerkerken beantwoorden aan de eis van armoede
door hun onversierdheid. Men is er hier in Sénanque op een
overweldigende wijze in geslaagd een volmaakte en eenvoudige kerk te
bouwen, waarin symbolische waarde en technische precisie samengaan. Door
het overduidelijke afzien van al het overbodige stralen én de kerk én de
gehele abdij harmonie en helderheid uit. Tot het midden van de 13de eeuw
maakte de abdij een bloeiperiode door, maar daarna raakte zij steeds
verder verwijderd van de cisterciënzergelofte van armoede, tot het
klooster in 1470 werd gereorganiseerd. Intussen hadden de
Waldenzen
zich in dorpen bij het Lubérongebergte gevestigd. Zij wilden de Kerk
hervormen, maar werden door de clerus en de adel op wrede wijze
vervolgd. Uit wraak overvielen zij in 1544 Sénanque en staken het
klooster voor een gedeelte in brand. In 1580 woedde de pest. Overal
boette de cisterciënzerorde aan aantrekkingskracht in, tot abt De
Rancé van de abdij van La Trappe de orde opnieuw hervormde.
Sindsdien heten de cisterciënzers trappisten. Sénanque verviel steeds
meer, tot abt De Béthune het klooster eind 17de eeuw weer liet
opbouwen. Tijdens de Revolutie werd de abdij verkocht en in 1854 kwam
zij in handen van abbé De Barnoin, die een novietenverblijf,
werkplaatsen, een grote gastenvleugel en een landbouwschuur liet
optrekken. In 1880 en 1902 werden de monniken door de wet tegen de
ordegemeenschappen uit Sénanque verdreven, maar enkelen vestigden zich
er tussen 1926 en 1969 opnieuw. Nadien werd de Vereniging Vrienden
van Sénanque opgericht, waarmee de abdij gered was.
Tegenwoordig
zijn hier instituten voor middeleeuws onderzoek en
onderzoek van de Sahara gevestigd. Men bestudeert en beoefent de
Gregoriaanse kerkzang. Voorts vinden er ook andere muziekuitvoeringen
plaats. Er worden tentoonstellingen van eigentijdse schilders gehouden,
en in de 19de-eeuwse vleugels vinden studiebijeenkomsten plaats. Het
aantrekkelijke klooster met de fraaie kruisgang wordt vooral in de
zomermaanden door talrijke toeristen bezocht. Zij worden al van verre
aangetrokken door de gesloten indruk die het middeleeuwse bouwwerk
maakt, met de massieve, vierkante klokkentoren met spits en stenen kruis
boven de zeshoekige vieringkoepel, het brede spitse dak van de apsis
,
dat aan de 'bories' herinnert, en de lage lessenaardaken van de
zijbeuken. In de middaghitte verstommen de krekels in de geurende
lavendelvelden en onder de zinderende hemel staan de cipressen duister
voor de ontoegankelijk lijkende muren van het klooster, dat nog steeds
de middeleeuwse steunberen en 12de-eeuwse vensters heeft.
**
Uw accommodatie in Frankrijk kunt U goed
boeken via
Hotels/Appartementen/Frankrijk. Er zijn meer dan 11.000
hotels/appartementen online boekbaar. Laagste prijsgarantie, maximale
keuze, tevreden gasten, onpartijdige hotelbeoordelingen, uw taal wordt
altijd gesproken!
** Via
Hotels/Appartementen/Wereldwijd kunt u goed zoeken naar een
accommodatie in 92 landen.
** Zie ook onze
boeken pagina eens.
** Hoe we met
Google naar
afbeeldingen van Toulouse Lautrec zochten.
** Met het vernieuwde zoekveld kunt u zoeken in "Stedentips".
▲